Martha (kort verhaal)

‘Met je moeder,’ zegt ze als ik de telefoon opneem. ‘Jij hebt zeker niets gehoord?’

Ik schrik van haar dofklinkende stem en weet dat ze alleen zo praat wanneer er iets ergs is gebeurd in de familie of -vriendenkring.
‘We hebben van­mor­gen een rouwkaart gekregen, Martha is dood.’
‘Martha?’ Er gaat een schok door me heen.
‘Ja, je weet toch nog wel wie ze is.’
Natuurlijk weet ik nog wie Martha is, al kan mijn moeder nooit vermoeden waarom.
‘Ze kwam in de zomervakanties altijd bij ons logeren,’ gaat mijn moeder verder, weer met haar gewone stem. ‘Martha, het Amboneesje.’
De manier waarop ze dat uitspreekt maakt me kwaad. Het Am-bon-nees-je, alsof ze het niet over een mens heeft. Vaag zie ik de kleine, donkere gestalte van een vijftienjarig meisje en probeer, ondanks het gekwetter van mijn moeders stem, dat beeld vast te houden.
‘Hallo… ben je er nog?’ vraagt ze.
‘Ja ja, ik ben er nog.’ Ik doe mijn uiterste best het opkomende gevoel van irritatie te verbergen. ‘Ik moest alleen even nadenken over wie je het hebt, maar nu weet ik het weer.’ De poes springt bij me op schoot en duwt haar zwarte kopje spinnend tegen de hoorn van de telefoon. Met mijn vingers woel ik door de donkere warme vacht. ‘Ik wist niet dat jullie nog contact met haar hadden.’
‘Dat hadden we ook niet,’ zegt mijn moeder. ‘We zijn erg verbaasd dat we nog bericht hebben gekregen. De kaart komt helemaal van Ambon en is meer dan acht weken onderweg geweest, ons oude adres staat er nog op. Het is echt een wonder dat hij is aangekomen.’
‘Ja zeker,’ mompel ik afwezig. Ik wil niet meer praten. ‘Mam, van de week kom ik nog bij jullie langs, dan praten we wel verder. Ik ga nu ophangen.’
Mijn moeder geeft niet direct antwoord en ik verwacht dat ze zal gaan vragen of alles wel goed met me is.
‘Jij schrikt er geloof ik ook van hè. Ze was ook nog zo jong. Drieënveertig. Maar twee jaar ouder dan jij. Ja jongen, Gods wegen mijn ondoorgrondelijk. Nou tot ziens dan maar. Tot van de week.’
Ik verbreek de verbinding. Met geen mogelijkheid kan ik me Martha voorstellen als een vrouw van mijn leeftijd, in mijn geheugen is ze nog altijd dat meisje van vijftien jaar. De poes reageert verstoord als ik haar op de grond zet. Uit het oude dressoir van mijn ouders pak ik een bruine vierkante koektrommel. en ga op mijn knieën op de grond zitten. Ik open het deksel en stort de inhoud van de trommel uit over het vinyl. Tussen de vele zwart-wit foto’s, waarvan sommige vaal-gele vlekken ver­to­nen, zoek ik het beeld bij mijn herinnering.
Daar staat ze, op plastic teenslippers, klein en fragiel. Op de achtergrond is een gedeelte van de houten barak te zien waarin ze toen woonde. Ze kijkt recht in de lens. Ernstig, of misschien is het waardig of trots. Een vormloze bloemetjesjurk, die tot over haar knieën hangt, verhult hoe tenger ze is gebouwd. Op de achterkant van de foto staat in haar onre­gel­mati­ge handschrift met potlood geschreven; Voor Martijn van Martha – Vught – Augustus 1961.
De tijd heeft de letters vervaagd, maar nog duidelijk is te zien dat de punt van de letter i in mijn naam, de vorm van een hartje heeft.

De eerste zomer dat Martha bij ons had gelogeerd was ik elf jaar. Liever had ik gezien dat er een jongen was gekomen zoals bij de buren, maar mijn ouders zeiden dat dat niet mogelijk was. Mijn kamertje was te klein om met z’n tweeën in te slapen, daarom moest de logé bij mijn oudere zus op de kamer. Een meisje dus.
Van de eerste vakanties met Martha kan ik me niet veel meer herinneren. Veelal had ze met mijn zus opgetrokken. Overdag gingen ze naar het strand, ’s avonds zaten ze giechelend bij elkaar in de tuin of boven op hun slaapkamer. Meestal zag ik Martha alleen tijdens de maaltijden en op zondagen, als we naar de kerk gingen en iedereen thuis moest blijven.
Toen Martha voor het vierde jaar bij ons kwam, ging mijn zus met een vriendin en haar ouders voor een tweeweekse vakantie naar de Veluwe. Martha miste haar erg. Ze was zwijgzaam en in zichzelf gekeerd. Vaak zat ze met een boek op schoot voor zich uit te staren. Haar donkere ogen stonden weemoedig en als ze me aankeek had ik het gevoel dat haar blik dwars door me heen ging. Na een paar dagen kreeg ik medelijden met Martha. Ik deed mijn uiterste best met haar in contact te komen. Ik liet haar mijn postzegelverzameling zien, speciaal die van Ne­der­landsch-Indië, en vertelde over de afbeeldingen. Ik gaf haar mijn mooiste boek te lezen en probeerde er achter te komen wat ze graag wilde eten, zodat ik mijn moeder erom kon vragen. Na een tijdje verdween haar gereserveerdheid en begon ze me te vertellen over het kamp waarin ze woonde. Dat haar school een houten barak was waar ze met meer dan vijftig kinderen in een klas zat, en dat ze ’s zondags in het kerkkoor zong. Ik leerde haar knallen met carbid en zij leerde mij Maleise woordjes. Samen deden we bood­schappen, maakten fietstochten en zwierven uren langs het strand en door de duinen. In een met watten beklede schoenen­doos legden we voor Martha een schel­pen­verza­meling aan. Gaan­deweg werden we onaf­schei­de­lijk. Mijn vriendjes vonden het maar raar en noemden me een nege­rinnen­gek.
Toen ik dat aan Martha ver­telde zei ze: ‘Daar hoef je je niets van aan te trek­ken, want ik ben helemaal geen negerin.’
De eerste jaren dat ze bij ons was vond ik haar oninte­res­sant, of klein, of mager. Maar dat jaar ontdekte ik voor het eerst de diepzwarte kleur van het haar waar soms een paarse gloed over lag. Het bruin van haar ogen. De volle don­kerrode lippen waarmee het wit van haar iets scheve tanden sterk con­trasteerde, en de strakke lijn van haar benen. Wat ik echter het meest aan haar bewonderde waren haar vingers. Nooit tevo­ren had ik zulke lange, slanke vingers gezien en ik pro­beerde dan ook haar handen, zo vaak als onge­merkt mogelijk was, aan te raken. Soms, als onze handen naast elkaar lagen, schaamde ik me voor mijn stompe, witte vingers en nam ik me heilig voor nooit meer nagels te bijten.
Eens vroeg ik haar waarom ze eigenlijk bij ons kwam loge­ren en niet met haar ouders op vakantie ging.
‘Mijn vader en mijn oudste zus mijn nog in Ambon,’ vertel­de ze met haar altijd hese stem. ‘Omdat ik met mijn moeder en zusje en mijn twee broers maar voor een tijdje in Nederland ben, wonen wij in een kamp met houten huizen. In de oorlog hebben daar mensen gevangen gezeten. Als de regering van mijn land het goed vindt, gaan we allemaal weer terug naar Ambon.’
Bij het uitspreken van het woord Ambon zag ik een schit­tering in haar ogen. Dat verlangen naar haar land was iets dat ik niet met haar kon delen en dat maakte me jaloers.
‘Vier jaar geleden heeft onze kamp-dominee met jullie domi­nee geregeld dat er een stel kinderen tijdens de zomer­vakan­tie naar zee konden. Ik ben toen ook uitgekozen en nu regelen jouw vader en moeder dat ik ieder jaar weer kan komen.’ Toen ze dat verteld had keek ze me glimlachend aan en zei: ‘Als ik weer in Ambon woon kan jij met de vakanties misschien wel naar mij toe komen.’
Ik dacht aan de exotische plaatjes op mijn postzegels en nam me voor vast te gaan sparen voor reis.

Op een vrijdagavond mochten Martha en ik van mijn ouders bij hoge uitzon­dering samen naar het zomer-vuurwerk in Scheveningen. In een half uurtje fietsten we er door de duinen naartoe. Het was al schemerig toen we op de boulevard aankwamen. Dicht opeenge­drukt stonden we tussen de mensenmassa en volgden met onze ogen de gekleurde licht­fontei­nen. Toen Martha mijn hand pakte keken we elkaar aan, zon­der iets te zeggen. Ik zag hoe haar ogen schit­ter­den als zwarte agaten die met de kleuren van het vuurwerk veran­der­den. Ze boog haar gezicht naar mij toe en fluisterde iets dat ik niet verstond. Ik rook de heer­lijke geur die ze met zich mee­droeg en vroeg me af of het een parfum of haar li­chaams­geur was. Altijd had ze die zoete geur om zich heen. Toen drukte ze haar mond op die van mij. Met haar tong dwong ze mijn lippen en tanden van elkaar en ik proef­de de ijzer­ach­tige smaak van haar speek­sel. Het ver­oorzaakte een vreemde sensa­tie in mijn onderbuik. Nooit had ik zelfs maar kunnen vermoeden dat mensen elkaar op die ma­nier konden kussen.
Hand in hand liepen we na afloop van het vuur­werk terug naar onze fietsen die tegen de schuine kant van de boulevard, met de sturen ineen ge­strengeld, lagen te wachten.

De laatste dag van Martha’s verblijf was een zwoele, zomerse dag in het begin van augustus. Aan het eind van de middag stelde Martha voor nog een keer naar onze geheime lievelingsplek in de duinen te gaan. Onze fietsen verborgen we tussen de duin­roos en we klom­men over het prik­keldraad. In de duin­pan was het windstil en het ruisen van de zee was er niet hoorbaar. We zaten tegenover elkaar toen Martha mijn handen pakte.
‘Ik zal je missen,’ zei ze. ‘Jij bent de lief­ste die ik ken en ik zou willen dat ik altijd hier kon blijven.’
Ik dacht aan Ambon en moest een paar maal slikken om het branderige gevoel achter mijn ogen weg te krijgen.
Martha liet mijn handen los en trok haar blouse uit. Terwijl ze haar ogen op me gericht hield, ging ze achterover in het helmgras liggen. Ik staarde naar de zwelling van haar bor­sten en zag de don­kere tepels. Met een hand trok ze mijn hoofd omlaag en ik voelde haar kleine borst tegen mijn wang. De warmte van haar huid trok een spoor van ongekende gevoelens door mijn lichaam. Voor eeuwig had ik zo willen blijven lig­gen.
Ik vertelde Martha dat ik nog nooit een echt vriendinne­tje had gehad en er buiten haar ook nooit meer een zou wil­len. Ze lachte zachtjes, en haar vingers, die prachtige don­kere vingers, woelden door mijn haar en streelden mijn gladde jongensborst.
‘Saja tjinta kepada mu,’ leerde ze me. ‘Ik houd van jou.’
Boven zee rommelde zachtjes de donder en ik wenste vurig dat de tijd stil zou blijven staan.
Voor de tweede keer deze vakantie kusten we elkaar. Langer nu. Aarzelend streelde ik haar borsten. Toen ik mijn ogen even opendeed zag ik haar pikzwarte wimpers glimmen, alsof ze nat waren.

In de regen, die loodrecht omlaag viel, fietsten we zwijgend naar huis. Het was alsof we bang waren dat het verlangen naar elkaar door woorden verstoord zou worden. Nooit in mijn leven had ik me zo nauw met iemand verbonden gevoeld.
Die nacht lag ik woelend in mijn bed. Ik dacht aan Martha en voelde opnieuw haar warme borst tegen mijn wang. Hoe zou ik ooit nog vro­lijk kunnen mijn zonder Martha om me heen. Zachtjes stapte ik uit bed en keek vanuit mijn slaapkamerraam de ver­laten straat in. De lantaarnpalen ver­spreidden hun gele licht en boven de daken van de huizen aan de overkant stond een bleke maan. Uit mijn broekzak diepte ik het armbandje op dat Martha mij die middag had gegeven en ik klemde het in mijn linkerhand. Terug in bed beleefde ik de dag opnieuw en op­nieuw, totdat ik eindelijk uitgeput in slaap viel. In mijn hand het armband­je en op mijn lippen haar naam.
De volgende ochtend bracht ik Martha samen met mijn moeder naar het plein voor de kerk, waarvandaan ze met tientallen andere kinderen, in twee autobussen naar hun families in Vught zouden vertrekken.
‘Volgend jaar mag je weer komen als je wilt,’ zei mijn moe­der.
Martha knikte. Volgend jaar duurt nog zolang, dacht ik. Voordat Martha de bus instapte keken we elkaar nog eenmaal aan.
‘Saja tjinta kepada mu,’ fluisterde ik.
Een paar tellen sloot Martha haar ogen en ik zag hoe een traan een glin­ste­rend spoor trok over haar bruine wang.
Nog diezelfde avond schreef ik haar een brief en binnen twee weken had ik antwoord. Martha schreef dat ze me miste en vaak aan me moest denken. Ze had een foto meege­stuurd waar ik iedere avond naar keek. Mijn moeder vroeg of zij de brief ook mocht lezen, maar daar had ik geen antwoord op gegeven.
Toen ik op een woensdag, vlak voor de herfst­vakantie, uit school kwam, lag er demonstratief naast mijn bord een brief van Mart­ha. Snel propte ik mijn boter­hammen naar binnen en fietste naar de plek in de duinen waar we die laatste middag samen waren geweest. Ik scheurde de enveloppe open en liet mijn ogen gretig over de regels gaan. Tweemaal herlas ik de brief, maar wat erin stond veranderde niet. Martha schreef dat ze terug ging naar Ambon om haar vader, die ernstig ziek was, te gaan verzorgen.
Woest stond ik op en rende door de duinen naar het strand. Pas toen ik de vloedlijn had bereikt, stopte ik. Nog een­maal las ik de brief, daarna verscheurde ik hem. Zo ver als ik kon gooide ik de kleine stukjes papier omhoog, schreeuwde tegen de wind in haar naam en huilde.

De foto’s die op de grond liggen doe ik terug in de trommel en sluit het deksel. Dan sta ik op en loop naar het raam. Wanneer ik naar buiten wil kijken zie ik mijn eigen gestalte weer­spiegelen in de ruit met de foto van Martha in mijn hand.

© Harme van Kamp
Amsterdam, 1996


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s