Insomnia

INSOMNIA

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘te wapen’,
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van ’t paren
Is niet minder dan de wieg het graf.
J.C. Bloem (1887-1966)

Als kind heb ik een periode gehad waarin ik vaak piekerde over hoe het zou zijn als je dood was. Vooral ’s nachts kon ik er erg mee bezig zijn en lag er soms uren wakker van.
Ook was ik bang dat wanneer ik zou gaan slapen ik niet meer wakker zou worden.
Ik kon me bij de dood natuurlijk niet echt iets voorstellen en voor mij gold toen zeker: “Onbekend maakt onbemind”. 

Een schrale troost was het feit dat ik toen, vanuit het geloof waarin ik werd opgevoed, dacht na mijn dood naar de Hemel te kunnen gaan.
Maar tegelijkertijd was er altijd de angst dat het wel eens vies kon tegenvallen en ik in de Hel zou belanden.

Echter waar ik me het meest druk om maakte, was de periode direct na het sterven.
Wat zou er met me gebeuren als ik mijn laatste adem had uitgeblazen.
Hoe snel zou ik echt dood zijn, dacht ik, en zou ik nog kunnen horen wat er werd gezegd over mij? Zou ik mijn moeder en zussen kunnen horen huilen?
Die laatste gedachte ontroerde me zo dat ik er zelf ook om moest huilen.

Soms zag ik mezelf in een afgesloten kist liggen, keurig in mijn “zondagse kleren” terwijl ik nog steeds alles bewust meemaakte, maar niet in staat was iets te zeggen of te doen.
Ik hoorde de stemmen van mijn ouders en zussen hol en gedempt door het hout van de kist klinken en ik zag in mijn verbeelding zelfs het buitenlicht door de kieren van het deksel schemeren.
Het leek me zo wreed dat ik alles zou kunnen zien en horen, maar niet in staat zou zijn iemand te bereiken.

De zeldzame keren dat ik als kind met mijn ouders op een begraafplaats ben geweest om  het graf van mijn oma te bezoeken, bevestigde die gevoelens.
Lopend tussen de graven, de schelpen van het pad knisterend onder mijn schoenen en met de zeewind suizend in mijn oren, hoorde ik geluiden die alleen maar van menselijke stemmen konden zijn. En al kon ik niet verstaan wat ze fluisterden, het moest een smeken zijn om bevrijd te worden uit die donkere aarde.

Best griezelig allemaal, maar het hoorde bij die periode van magisch denken in mijn jonge leven.

Even onverwacht als ze waren gekomen, waren die gedachten ook weer verdwenen en werd mijn kinderbrein opgeëist door andere belangrijke zaken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s