Het land der levenden (Kort verhaal)



Onderstaand verhaal heb ik eerder gepubliceerd op mijn vorige website, maar is bij het importeren niet meegekomen. Vandaar dat ik het hier (nogmaals) publiceer.

De_andere_kant
Maar de wijsheid, waar wordt zij gevonden,
en waar is de verblijfplaats van het inzicht.
De sterveling kent haar waarde niet,
en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
Job 28 : 12-13

 

Het weidse landschap waarin de koeien door de heïge schemering vervagen, glijdt aan mij voorbij. Schuin voor me zie ik een bleke maan boven contouren van bebossing. Ik voel me doezelig en bedenk dat het beter was geweest als ik geen wijn bij het eten had gedronken. Gelukkig is het stil op de weg en eist het autorijden niet veel van mijn aandacht op. Het vooruitzicht op een weekeinde zonder afspraken geeft me een vrij gevoel. Ineens valt mijn oog op een donkere plek die scherp afsteekt tegen de zilveren deken die over het gras van de berm ligt. Ik minder vaart en zie de donkere plek veranderen in een meisje dat in elkaar gedoken langs de kant van de weg zit. Het hoofd rust op de opgetrokken knieën waar ze haar blote armen omheen heeft geslagen en het lange, donkere haar hangt tot op de grond, als bij de takken van een treurwilg. Impulsief trap ik op het rempedaal, zet de auto half in het gras langs de kant van de weg, doe de alarmlichten aan en loop het stukje terug naar het onbeweeglijke silhouet. De kille avondwind veroorzaakt kippenvel op mijn armen en laat de haren van het versteende beeld bij mijn voeten zachtjes bewegen. Ook als ik naast het kind neerhurk beweegt dat zich niet en de vredige stilte van zonet krijgt iets beklemmends waardoor ik nauwelijks durf ademhalen. Wanneer ik voorzichtig aarzelend mijn hand op een benig aanvoelende schouder van het meisje leg, trekt er een rilling door het lichaam en twee donkere ogen kijken mij aan. ‘Waarom zit je hier, kan ik je ergens mee helpen?’ vraag ik. Zwijgend kijkt het kind mij tijdje aan, dan ontspant haar gezicht iets en zegt ze: ‘Ik moest nog éénmaal terug naar deze plek, maar nu jij me hebt gevonden kan ik nog niet daar naar toe waar ik thuishoor.’ Ze sluit haar ogen en ademt diep in alvorens ze mij opnieuw aankijkt. ‘Zou je me naar het huis van mijn moeder kunnen brengen? Het is hier niet ver vandaan,’ vraagt ze dan. De vraag overvalt me, maar wat kan ik doen? Haar hier achterlaten lijkt me geen optie, maar is een meisje van een jaar of acht oppikken langs de kant van de weg en meenemen in mijn auto dat wel? Ik knik en reik haar mijn hand. Als ik haar help met opstaan valt het me op hoe licht het kind is. De kleine hand blijft in die van mij als we naast elkaar naar de auto lopen.

Het is nog schemerig als ik wakker schrik. Vaag herinner ik me flarden van een droom waarin het meisje dat ik gisteravond heb thuisgebracht in zee stond met de armen naar mij uitgestrekt. Ik probeerde naar haar toe te lopen maar elke stap die ik in haar richting deed, verwijderde me juist van het kind. Ik trek het omlaag gewoelde dekbed over me heen en zie weer de ogen van het meisje voor me. Ze was niet bijster spraakzaam geweest en al mijn pogingen om met haar in gesprek te raken waren op niets uitgelopen. Pas toen ik stopte voor een huis waarvan slechts de rode dakpannen boven de begroeiing uitstaken, realiseerde ik me dat het kind mij niet eenmaal had gezegd hoe ik had moeten rijden. Verbaasd had ik haar aangekeken, maar voor ik iets had kunnen vragen was ze al uitgestapt en liep het smalle tuinpad langs het huis op. Nog eenmaal had ze zich omgedraaid en mij seconden lang aangekeken. Daarna was ze verdwenen tussen de begroeiing die rond het huis stond. Het is fris in de slaapkamer. Het rolgordijn bolt iets naar binnen door de wind die door het opengeschoven raam waait. Ik luister naar de geluiden van spelende kinderen, een optrekkende vrachtauto en het krijsen van een meeuw. Ik heb het koud gekregen en stap uit bed om mijn trui te pakken. ‘Het meisje,’ zeg ik hardop als ik me herinner dat ik haar de trui gegeven had omdat ze zo zat te rillen. Ze moet hem aangehouden hebben. In gedachten loop ik naar de badkamer en stel het water van de douche in op de juiste temperatuur. De warmte voelt weldadig aan en spoelt het onbestemde gevoel weg waarmee ik wakker was geworden. Ik merk dat ik blij ben dat ik nu tenminste een aanleiding heb om vandaag nog eens bij haar langs te gaan.

Een vrouw van ongeveer veertig jaar doet de deur open en kijkt mij afwachtend aan. Ze heeft dezelfde donkere ogen en hetzelfde zwarte haar als het kind dat ik hier heb afgezet. ‘Dag mevrouw, ik heb gisteravond een meisje een lift gegeven en haar hier voor de deur afgezet. Ze zei dat ze hier woonde. Zou ik haar nog even kunnen spreken?’ De vrouw kijkt me verschrikt aan en deinst achteruit. ‘Waarom zegt u zulke dingen,’ zegt ze, ‘wie bent u, wat wilt u van me?’ Geschrokken door haar reactie vertel ik in het kort wat me gisteravond is overkomen. Als ik klaar ben met mijn verhaal kijkt de vrouw me zwijgend aan. Haar ogen vullen zich met tranen. Zonder verder nog iets te zeggen draait ze zich om en loopt de gang in. Halverwege gebaart ze me dat ik haar moet volgen. In de kamer pakt de vrouw vanuit een secretaire een foto in een zwarte glanzende lijst en overhandigd die aan mij. Vanachter het glas, waarin ik vaag mijn eigen gezicht zie spiegelen, kijkt het meisje van gisteravond mij met een vage glimlach aan. Met moeite maak ik mijn blik los van de foto en zeg tegen het vragende gezicht van de vrouw: ‘Ja, dat is ze. Haar heb ik hier gisteravond afgezet.’ De vrouw wankelt, tast naar de stoel achter zich en gaat zitten. Ze houdt een hand tegen haar voorhoofd en fluistert: ‘Dat daar is een foto van mijn dochter Atika. Ze is zes weken geleden verongelukt toen ze op de fiets op weg was naar school.’ De aarde lijkt onder mijn voeten weg te draaien en met een klap glijdt de foto vanuit mijn handen op de plavuizen. Lang blijven we zo tegenover elkaar, zonder ook maar een woord te spreken. Geen van ons raapt de foto op die tussen de glasscherven op de grond ligt. Na een tijd verbreekt de vrouw het stilzwijgen, staat op van de stoel en zegt: ‘Zou u met mij mee willen gaan naar het kerkhof. Ik wil u graag de plaats laten zien waar Atika begraven ligt.’

Voorzichtig draai ik de auto de kleine parkeerplaats naast de kerk op en plaats hem zo dicht mogelijk bij de ingang van het kerkhof. Als ik uitgestapt ben zie ik dat de vrouw onbeweeglijk blijft zitten. Doordat ze in elkaar gedoken zit lijkt ze precies op het beeld van haar dochtertje van gisteravond. Ik loop om de auto heen en open het portier aan de kant waar de vrouw zit. Naast elkaar lopen we door het geopende smeedijzeren hek de kleine begraafplaats op. Met een knik van haar hoofd geeft de vrouw aan dat we naar het achterste gedeelte moeten en langzaam lopen we verder. Over zacht, verend mos gaan we naar de rand van het kerkhof waar twee paardenkastanjes in een beschamende uitbundigheid in bloei staan, met roze trossen die naar de hemel reiken. Abrupt blijft de vrouw staan en ik voel hoe ze mijn hand pakt en er hard in knijpt. Met mijn ogen volg ik haar blik die rust op een klein, wit kruis waar in strakke letters alleen de naam ATIKA ingegraveerd staat. Aan de voet van het kruis, op de grijze kiezelstenen, ligt mijn trui.

© Harme van Kamp – Amsterdam
Bron afbeelding: Pinterest

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s