Kort verhaal

Avondsymfonie (kort verhaal)

Onderstaand verhaal is eerder gepubliceerd op Blogspot.

LobrasAandachtig luistert ze naar de geluiden die de invallende duisternis begeleiden. De wind die zachtjes rond de bergtoppen suist. Het onvermoeibare sjirpen van honderden krekels. De roep van een dier. De avondsymfonie van Timar noemt ze het. Steeds heeft ze er met plezier naar geluisterd. Maar de laatste tijd houden de krekels haar wakker, is de roep van het dier een angstkreet geworden.

Met een hoorbare zucht staat Ruth op van de ruw houten bank die tegen het huis staat en loopt naar de rand van het rotsplateau. Aan haar blote voeten voelt ze nog de warmte van de dag. Beneden in het dal duiken vanuit de schemering de eerste lichtenpuntjes van het dorp Lobras op. Net zoals iedere avond wanneer de duisternis invalt. Dat is iets waar ze van op aan kan.

Ze kijkt naar de weg die nog slechts als een grijze kronkelende slang afsteekt tegen de donkere omgeving. De smalle weg naar het geluk had ze hem vijf jaar geleden in een nostalgische bui genoemd. Fons had moeten lachen toen ze hem verteld had over het schilderij dat bij haar grootouders in de woonkamer boven het houten trap-orgel hing.
De smalle weg naar de hemel, de brede naar de hel.
Weer klinkt de rauwe afgebeten kreet van het dier. Ze trekt haar schouders op en rolt de mouwen van haar overhemd naar beneden. Ze houdt ervan de ruime shirts van Fons te dragen. Gehaast loopt ze terug in de richting van het huis. In het lichtschijnsel van de lantaarn, die boven de buitendeur hangt, dansen tientallen insecten. Het raam van de werkkamer van Fons op de eerste etage is flauw verlicht.
De eerste jaren dat ze hier woonden zat hij met zijn bureau voor het venster. Het weidse uitzicht inspireerde hem, had hij gezegd. Dat was ook de reden waarom hij zich hier wilde vestigen. De ideale ambiance om zijn roman te schrijven. Misschien had ze toen niet zo overhaast met zijn wensen moeten instemmen. Maar het enthousiasme waarmee Fons met weidse gebaren haar toekomstige schilders-atelier al voor haar aan het inrichten was, had haar snel over de streep getrokken.
‘Een lot uit de loterij,’ had hij gezegd toen ze de prijs hadden gehoord.
De rest van de vakantie hadden ze over bijna niets anders kunnen spreken. De weinige bezwaren die zij nog had kunnen bedenken, had hij afgedaan als futiliteiten.
‘Je zult zien dat wanneer we er eenmaal wonen die kleinigheden zich vanzelf oplossen.’
Ruth loopt naar de achterkant van het huis waar het al bijna donker is. De avondwind die langs de bergtoppen omlaag valt laat de bladeren van de olijfbomen zachtjes ritselen. Op de tast vindt ze de deurknop van haar atelier. Binnen in de schemering is het koel. Volgens Fons de ideale temperatuur voor het aanleggen van een wijnvoorraad.
Ruth knipt de verlichting aan en kijkt in een reflex naar het wijnrek. Bijna alle flessen die ze er een week geleden heeft ingelegd zijn verdwenen. Ze moet niet vergeten morgen de voorraad aan te vullen.
Tegen de linker- en achterwand van haar atelier staan een vijftal, meer dan manshoge, schilderijen. Hun beeltenis tegen de muurzijde. Ruth loopt naar een van de doeken die achterin staat en draait de afbeelding naar zich toe. Ze doet een aantal stappen achteruit en gaat op de stoel zitten die in het midden van de rechthoekige ruimte staat. Met haar ogen iets samengeknepen tast ze op minutieuze wijze de beeltenis af. Ze ziet het madonna-achtige gezicht van de vrouw welke met opgetrokken benen in het gras ligt, de bleke gezwollen buik, de kleine driehoek van zwart kroeshaar daaronder en de glanzende, gezwollen schaamlippen waartussen, als een bleek kronkelend reptiel, een navelstreng waarvan het andere uiteinde nog vastzit aan een meisje van een jaar of twee. Het kind ligt in de armen van een man die in een cirkel van zwarte kiezelstenen staat en zijn blik schuin omhoog heeft gericht op een roofvogel boven de bergtoppen in de verte.
Ruth schrikt op doordat een fractie van een seconde het licht verflauwt alsof er een stroomstoring op handen is. Ze bijt op haar onderlip en wendt met zichtbare moeite haar gezicht van het schilderij af. Langzaam staat ze op. Terwijl ze de knoopjes van het overhemd losmaakt en het van haar schouders laat glijden, loopt ze naar een van de doeken dat tegen de zijwand staat. Met de armen gespreid legt ze haar handen op het houten raamwerk van het schilderij en sluit haar ogen. Vervolgens drukt ze haar lijf tegen het doek. Door het linnen heen voelt Ruth het lichaam aan de andere kant. Borsten op borsten, weet ze, buik tegen buik. Langdurig blijft ze zo staan. Bewegingloos, als was ze zelf geschilderd.
‘Het is af,’ zegt ze na een tijd zachtjes.
Ze pakt een doosje lucifers, tilt het schilderij aan de randen op en draagt het voorzichtig naar buiten. Tussen de olijfbomen achter het huis legt ze het doek met de beeltenis naar de aarde op de zwartgeblakerde plek op de grond. Nog altijd heeft ze het doek niet opnieuw bekeken. Bij een van de bomen staan een legergroene jerrycan en een terracotta urn. Vanuit de jerrycan giet ze zorgvuldig benzine over het raamwerk en het linnen totdat het ervan doordrenkt is. Vervolgens strijkt ze een lucifer aan die direct door de wind wordt uitgeblazen. Heel even aarzelt ze en kijkt om zich heen, maar dan herhaalt ze de handeling, nu met vier lucifers tegelijk. Behoedzaam beschermt ze het flakkerende vlammetje met haar handen. Als de vlam in de kom van haar handen op z’n grootst is, werpt ze de lucifers op het doek. Met een dof, ploffend geluid vat het schilderij vlam. Ruth deinst achteruit. Gebiologeerd staart ze in de vlammen. Het vuur geeft haar blonde korte haar een oranje gloed. Ze voelt de warmte van de lekkende vlammen op haar gezicht en lichaam. Haar hoofd hangt voorover, de schouders omlaag, de armen langs haar lichaam, als in volledige overgave. Alleen de tot vuisten gebalde handen duiden op verzet.
Wanneer het vuur bijna is gedoofd en het haar weer de eigen blonde kleur heeft, pakt Ruth een spade. Ze harkt daarmee de smeulende as bij elkaar en doet die in de urn. Bijna plechtstatig loopt ze ermee naar de rand van de olijfboomgaard. Met gestrekte armen houdt ze de vaas voor haar lichaam en blijft een paar seconden zo staan. Dan keert ze de vaas om en ziet hoe een deel van de as door de wind wordt meegenomen de duisternis in en over de sterk riekende kruiden wordt verspreid.
Ze voelt zich uitgeput als ze terug loopt naar het huis. In de keuken doet ze ijs in een glas en giet er whisky overheen. Daarna loopt ze ermee naar de kamer en zet het glas op tafel. Ze trekt de lakens van het bed glad en kleed zich uit.
Zittend op de rand van het bed neemt ze een slok. Het smaakt haar niet. Ze doet het licht uit en kruipt onder het laken. Ieder beeld probeert ze te verdringen. Eerst met haar ogen stijf dicht, dan liggend op haar rug starend naar het plafond. De eenzaamheid maakt de duisternis ondoordringbaar.
Vroeger deelden Fons en zij het donker. Ze vertelden elkaar hoe hun dag was geweest. Liggend in elkaars armen spraken ze over de toekomst, als zijn roman klaar zou zijn. Ze fantaseerden over het kind waar ze zo naar verlangden. Ze dronken wijn, rookten van dezelfde sigaret.
Ruth draait haar hoofd naar rechts, legt haar hand op de plaats waar Fons toen lag. Ze ziet zijn beeld. Een beeld van schaduwen. Ze voelt zijn mond, zijn ruwe kin, zijn adamsappel. Langzaam laat ze haar hand omlaag gaan. Even rust haar middelvinger in de kleine kom van zijn navel. Ze hoort hoe zijn adem stokt. Ze voelt zijn erectie. Wild draait ze haar hoofd de andere kant op en voelt hoe de eenzaamheid zich naar binnen vreet. 
 
Wanneer Ruth buiten komt is de frisheid en het vocht van de nacht nog niet opgelost. Boven het berglandschap hangt een vege nevel waar de zon haar lichtsluiers doorheen weeft. Al vaak heeft ze geprobeerd dat licht op haar doeken te vangen. Echter steeds tevergeefs. Het leek er alleen maar op. Tussen de olijfbomen hurkt ze neer en leegt haar blaas. De urine maakt een ritselend geluid op de droge afgevallen bladeren.
Terug bij het huis blijft ze staan onder de werkkamer van Fon­s en draait haar oor in de richting van het raam. Haar mond iets open. Waarschijnlijk slaapt hij nog. Zal ze hem koffie brengen? Vroeger deed ze dat vaak.
‘Je verzorgt de oude man werkelijk fantastisch,’ zei hij op een keer.
Fons houdt ervan om cynische opmerkingen te maken over hun leef­tijd­sver­schil. In het begin zei hij vaak dat hij zich de laatste jaren niet meer zo jong had gevoeld. Maar steeds vaker bekroop haar het gevoel dat hij zich door haar juist ouder voelde.
‘Gedraag je toch eens volwassen,’ is een van zijn vaste uitdrukkingen geworden. Hoe zou ze hem ooit kunnen zeggen dat ze zich juist bij hem kind kan voelen, zonder hem daarmee te kwetsen.
Drieënvijftig was hij toen ze hem op een feest had leren kennen. Ze had toen niet willen geloven dat hij al zo oud was. De hele nacht waren ze bij elkaar gebleven, hij pratend, zij luisterend. ’s Morgens vroeg was ze met hem mee naar zijn huis gegaan en had de rest van de dag bij hem doorgebracht. De volgende dag waren ze met zijn auto een gedeelte van haar bezittingen gaan ophalen. Een maand later zegde ze haar etage op. De garage van zijn huis richtten ze in als haar werkruimte. Voor de eerste keer in haar leven had ze een eigen atelier gehad.
Ze pakt haar overhemd van de bank, trekt het aan en loopt naar de keuken. Uit de koelkast pakt ze een pak melk en neemt een paar slokken. De melk gutst uit het pak en druipt via haar kin op de grond.
‘Altijd te gulzig,’ mompelt ze.
Ze zet het pak terug en smijt de koelkast dicht. Daarna knipt ze een pak koffie open terwijl ze het stevig vasthoudt om te voelen hoe het vacuüm zich opheft. Tijdens het koffie zetten kookt ze eieren en perst sinaasappelen uit.
Als alles klaar is zet ze het op en dienblad en loopt er zachtjes mee de trap op. De treden zijn uitgesleten en voelen glad en koud aan haar blote voeten. Voor de deur zet ze het blad op de grond. Even blijft ze gebukt staan, alsof ze zich zal bedenken. Dan komt ze overeind en duwt langzaam de deurkruk naar beneden. De deur opent ze op een kier. Een bedorven kroeglucht slaat in haar gezicht. Op de grond ziet ze proppen papier, een volle asbak en lege flessen. Fons ligt gekleed op bed. Zijn linkerbeen en arm hangen langs de zijkant naar beneden. Het donkere haar zit in natte slierten op zijn voorhoofd geplakt. Door de baardstoppels van enkele dagen lijkt zijn gezicht nog bleker dan anders. Ruth haalt diep adem en pakt het dienblad op. Met haar voet duwt ze de deur verder open en loopt naar binnen. Ze schuift wat papieren opzij en zet het blad op het eiken bureau. Als ze het raam open wil doen, is het of er aan de andere kant ook iemand tegenaan duwt. Doordat ze kracht zet schiet het met een klap open. Fons komt met een ruk overeind, maar als hij Ruth ziet laat hij zich met gesloten ogen weer achterover vallen.
‘Kan het misschien wat rustiger,’ zegt hij met een hese stem.
‘Sorry, het raam klemt.’
Fons legt zijn handen op zijn gezicht en ademt diep in.
‘Ik heb een ontbijt voor je gemaakt. Koffie, eieren en sinaasappelsap. Daar zul je wel aan toe zijn.’
Fons opent zijn ogen. ‘Hoezo zal ik daar wel aan toe zijn?’ vraagt hij.
Ruth verstijft. ‘Omdat ik denk dat je een groot gedeelte van de nacht hebt gewerkt,’ zegt ze.
‘Inderdaad,’ zegt Fons terwijl hij zich van haar afdraait. ‘En daarom had ik graag nog doorgeslapen in plaats van wakker gemaakt te worden voor nutteloze zaken.’
Ruth kijkt van Fons naar het dienblad. ‘Okay, maar nu je toch wakker bent kun je beter wat nemen.’
Ostentatief zuchtend komt Fons iets omhoog, achterover leunend op zijn ellebogen. Zonder wat te zeggen blijft hij haar aankijken. Zijn ogen zijn rood doorlopen. Ruth pakt een kussen van de grond en wil het achter Fons zijn rug leggen.
Hardhandig pakt hij haar pols.
‘Ruth luister naar wat ik zeg: ik wil met rust gelaten worden! Probeer nu eindelijk eens te stoppen met mij te verzorgen alsof ik een bejaarde ben.’
Zonder nog een woord te zeggen loopt Ruth de kamer uit.
 
Alleen in haar atelier, blootsvoets, staart Ruth weer naar het kolossale doek. Ze weet dat het klaar is, maar ze kan er nog geen afstand van doen. Het zit te dicht op haar huid. De ogen van de man. Het kind in zijn armen. De navelstreng. Ruth drukt haar handen op haar buik. Ze durft niet meer tegen Fons te zeggen hoe graag ze een kind wil. Nu niet meer. Immers, het enige wat voor hem telt is zijn werk. Twee jaar nu, bijna onafgebroken. Moet ze nog langer blijven wachten? Een jaar, twee jaar misschien? En waarom laat ze zich steeds weer zeggen dat ze hem betuttelt op momenten dat het hem uitkomt. Want met het feit dat ze zijn drankvoorraad op peil houdt heeft hij in het geheel geen problemen.
Nee, niet op die manier. Niet op deze afstandelijk koele manier aan Fons denken. Ze moet die negatieve gevoelens op een afstand houden. Ze ziet het kind in de armen van de man en voelt hoeveel ze nog steeds van Fons houdt. En ineens weet ze wat haar te doen staat. Denkt ze de manier gevonden te hebben om de confrontatie met hem aan te gaan. Ze staat op en loopt naar het wijnrek. Snel pakt ze de flessen wijn en doet ze in een papieren tas. Daarna loopt ze naar de kamer en pakt uit een nis in de muur nog twee halfvolle flessen whisky en een fles wodka. Zonder de flessen tegen elkaar te stoten legt ze ook deze in de tas. Even blijft ze staan, aandachtig luisterend. Dan loopt ze geruisloos met de tas in haar armen het huis uit.
 
Door de muziek heen hoort ze hem hoestend de trap afkomen. Doodstil zit ze, met ingehouden adem. Ze volgt het geluid van zijn voetstappen om het huis. Hoort de deur van het atelier open gaan. Stilte. Ze wacht. Durft nauwelijks ademhalen. Ze hoort de klap waarmee de deur wordt dicht gesmeten. De driftige voetstappen die naar de kamer komen. Zonder iets te zeggen loopt Fons naar de nis. Als versteend blijft hij ervoor staan. Zijn handen met gebalde vuisten in zijn zij. Ze hoort hem zwaar ademen. Wild draait hij zich om en loopt op haar toe.
‘Wat is er verdomme met mijn drank gebeurd?’
Ruth denkt razendsnel. Ze probeert zijn reactie op verschillende antwoorden te voorspellen. De waarheid. Ze moet de waarheid vertellen.
‘Weggegooid. Stuk gesmeten op de rotsen.’
De mond van Fons valt open. ‘Stuk ge-sme-ten?’
‘Ja Fons. Ik wist geen andere manier meer om voor…, om je te bereiken.’ Ruth spreekt de woorden snel uit. ‘Je moet naar me luisteren. Je kan niet alleen werken en drinken.’
Voor dat ze zich realiseert wat er is gebeurd, raakt zijn hand haar gezicht al voor de tweede keer.
‘Wou jij mij vertellen hoe ik met mijn werk moet omgaan.’ Zijn stem slaat over. ‘Jij, die op een krankzinnig destructieve manier met je eigen werk omgaat. Jij, die mijn creativiteit afremt met dat eeuwige gezeik over een kind.’
Ruth proeft de roestachtige smaak van bloed. Haar linker jukbeen en haar neus lijken in brand te staan. De mond van Fons ziet ze bewegen, maar de woorden die hij schreeuwt dringen niet tot haar door. Ze sluit haar ogen en duwt haar handen er tegenaan.
Als ze na een tijd haar ogen weer open doet is ze alleen in de kamer. Ze voelt geen pijn meer. Wankelend loopt ze naar de keuken. Als ze langs de spiegel loopt, wendt ze haar hoofd af. Traag kleed ze zich uit en stapt onder de douche. Het warme water brandt op haar gezicht. Ze huilt, alleen en onder de douche. Niemand die het ziet.
 
Het kind. De bleke navelstreng. Met snelle bewegingen steekt Ruth het mes in het linnen. De navelstreng is door. Met moeite sleept ze het schilderij naar buiten. Tussen de olijfbomen, op de zwarte plek legt ze het neer, met de beeltenis omhoog deze keer. Met onge­con­troleer­de bewegingen giet ze de benzine er overheen en gooit de lege jerrycan achter zich neer. Met een lucifer steekt ze de hele inhoud van het doosje aan en gooit het op de beeltenis. De vlammen vreten zich in het beeld. In het lichaam, haar lichaam. Ruth ziet de buik samen­trek­ken en verschroeien. Ze vlucht naar de rand van de olijfboomgaard en laat zich voorover tussen de begroeiing vallen. Vaag ruikt ze de geur van tijm en lavendel. Hier lagen ze vaak samen in de avondzon. Languit, naakt tegen elkaar aan. Knieën tegen knieën, buik tegen buik. Om hen heen de geluiden van honderden krekels. Fons rolt op zijn rug en Ruth legt haar hoofd op zijn schouder. Haar been slaat ze over hem heen en ze voelt hoe hij in haar glijdt. Moei­te­loos. Ze ruikt zijn adem, proeft zijn speeksel.

Dan staat ze op. Ze moet de as nog uitstrooien. Haar lichaam voelt gebroken. Ze draait zich naar de zon die juist achter de toppen van de bergen verdwijnt. De warmte van de dag zindert nog boven de bergen. Ze hoort de krekels. Voelt de wind langs haar gezicht. In de verte klinkt de roep van een dier.

© Harme van Kamp – Amsterdam

0 reacties op “Avondsymfonie (kort verhaal)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: