Exact om half acht begon het, verscheurde het de rust van de vroege ochtend. Het geluid van een stampende heimachine. Het is een ritmisch stampend, enigszins galmend geluid dat alle andere geluiden verdringt .

Mijn eerste neiging was om geïrriteerd te reageren en harde muziek aan te zetten. Maar toen ik de moeite nam er goed naar luisteren, veranderde het geluid. Dat ritmisch gestamp werd een metafoor voor de groei van de stad. Plotseling was het alsof ik de hartslag van Amsterdam hoorde. Een krachtige, trillende hartslag. En het was ineens een beetje minder erg.

Maar toen, tijdens de relatieve stilte tussen twee heimomenten, hoorde ik iets anders. Iets zo tegengesteld aan het mechanische geluid van het heien, zo delicaat en breekbaar, dat ik mijn adem inhield, bang als ik was het daarmee te verjagen. Ik kon slechts mijn ogen sluiten, me overgeven aan het geluid en luisteren.

Ik hoorde het voor de eerste keer dit jaar en ik voelde, ik wist dat daarmee de toon was gezet. De winter gaat voorbij. Uiteindelijk. De merel vertelde het aan mij en aan alle anderen die het horen wilde.