Poëzie(11_3)

Wat je ooit was rijst op
vanuit het rimpelloze water
de tenen met de roodgelakte nagels
spiegelend tot nog eens tien
de vulkaan die haar wolkenkrabber spuwt
waar achter de ramen ze zich verschuilen
de laffe stuurlui aan de wal
en gluren en turen en zien
hoe het dobberend vlot onthult
waartoe jouw liefde had moeten leiden

nadat de navelstreng was doorgesneden
is de eenzaamheid gebleven
het hart klopt aan je voeten
reusachtig om alle pijn te kunnen bergen
op de grens van twee werelden sta je
in de roze meisjesjurk