Fictie Verhaal

Stof onder de voeten

Hieronder de Proloog uit mijn roman in wording.

Ik probeer het project dit jaar af te ronden en wil het dan uitgeven in eigen beheer. Plezier met het lezen er van.

Proloog

Zo stel ik me Thomas voor: slenterend, zijn lichaam iets vooroverhellend, zijn handen in de zakken, schouders opge­trokken, de blik met de groene ogen die kijken maar niets registreren, omlaag gericht. Zo stel ik me voor dat Thomas hier heeft gelopen. Al die nachten alleen met zichzelf. in deze stad, in dit park. Gevlucht uit zijn huis omdat hij het tussen de vier muren daarvan niet langer kon uithouden. Zoekend naar het isolement, worstelend met de eenzaamheid. De paradox van de laatste maanden van zijn bestaan.

Uiteindelijk hebben zijn vluchtpogingen niets opgelost. De cel waarin hij was gegijzeld droeg hij overal met zich mee. Die cel was zijn lichaam, was hij zelf. Thomas gijzelde zichzelf in zijn obsessieve gedachtewereld. In de dwangvoorstelling van zijn oorsprong.

Nooit meer zal ik van Thomas een antwoord krijgen op de vragen waarmee ik ben blijven zitten. Nooit zal hij me vertellen waarom hij mij niet in vertrouwen heeft genomen, waarom er geen afscheid is geweest. Ik zal niet te weten komen hoe vaak Thomas hier heeft gelo­pen tijdens de nachten dat de slaap geen vat op hem kreeg. De nachten dat hij zich opgesloten voelde als een misdadiger in zijn doden­cel.

Vannacht kon ook ik niet langer in dat huis blij­ven. Niet tussen de muren waar Thomas zijn leven heeft geleefd, waar hij heeft gevochten tegen zijn onzekerheden en twijfels. Waar hij uiteindelijk is gestorven. Deze nacht moet ik wakker blijven. Hier in Hamburg, in dit park zal ik mijn dodenwake houden geduren­de de laat­ste uren dat het li­chaam van Thomas boven de aarde staat. Als deze nacht eindelijk voorbij is zal om tien uur mor­genoch­tend Thomas worden begra­ven. Vanaf dat tijdstip zal zijn lichaam zich in de aarde be­vinden. Zal het terug gaan naar de oorsprong van alles. Terug in de moe­der­schoot.

Al lopend, in beslag genomen door mijn gedachten, ben ik ongemerkt terechtgekomen bij de met prikkeldraad afgezette muur die rond de Unter­su­chungs­gefängnis staat.

Op een warme namiddag in augustus, toen Thomas en ik hier samen liepen, vertelde hij mij dat in deze gevange­nis tussen 1933 en 1945 honder­den mensen door de valbijl om het leven zijn gebracht. Thomas wees me de in email uitge­voerde ovale por­tret­ten van twee Françaises die hier als herin­ne­ring en mis­schien ook als een zwijgend pro­test, tegen de muur zijn aange­bracht. De eenvoudige wijze waarop de vrouwen werden herdacht had me aangegrepen en ontroerd. Ik had me vertwijfeld afgevraagd wiens idee het was geweest de afbeeldingen juist op die verdoemde plek aan te brengen.

Schuifelend door de strook laag struikgewas speur ik, met mijn handen de ruwe stenen aftastend, naar de cha­mois-kleurige me­dail­lons. Die middag was ik er van overtuigd geweest dat ik de plaats de rest van mijn leven blin­de­lings zou kunnen terug­vinden, maar nu, in het nach­te­lijk duis­ter, kost het me moeite de juis­te positie ervan te trace­ren.

De tekst bij de portretten had Thomas die middag hardop en in het Duits aan mij voorgelezen:

‘France Bloch-Sérazin, geboren 21 Februar 1913, ermordert 12 Februar 1943 und Suzan­ne Mas­son, geboren 10 Juli 1901, ermordert 01 November 1943.’

Pas nu bemerk ik dat het woord ermordert van Thomas was geweest. In de oorspron­kelijke tekst, op een kleine pla­quette onder de portret­ten, staat voor de overlijdensdatum alleen maar een klein kruis.

Als je niet weet dat de foto’s er zijn vallen ze nau­we­lijks op zo verscholen achter het struikgewas, loop je er hoogstwaarschijnlijk voorbij. Twee vrou­wen die door het Nationaal Soci­alisme zijn vermoord. Twee van de miljoenen slachtoffers waartoe Thomas nu indirect ook be­hoort. De beide vrouwen zijn gedood in 1943. Nu vijf­enveer­tig jaar gele­den. Thomas was toen vier jaar. Ik nog niet eens gebo­ren.

Wellicht zijn die vrouwen door veel mensen die hen ooit hebben ge­kend verge­ten, of zijn deze in­mid­dels zelf ook al dood. Maar onge­twij­feld zijn er ergens op deze wereld nog mensen die zich de vrouwen herin­ne­ren. Geliefden, vrienden, verwanten, kin­de­ren mis­schien.

Vijfenveertig jaar. Een knipoog van de tijd. Wanneer die tijdspanne opnieuw verstreken zal zijn zullen er niet veel mensen meer rondlopen die nog weten wie Thomas is ge­weest. Hoe hij heeft geleefd en hoe hij is gestorven, op welke manier hij heeft gevoch­ten met zichzelf en met zijn ver­leden. Immers, langer dan twee genera­ties blijft een mens meestal niet in het geheu­gen van de tijd bestaan. Hooguit drie, als je kinds­kinde­ren hebt.

Wanneer ik kin­de­ren zou hebben gehad zou ik ze over Thomas ver­tellen. Ik zou de naam Thomas zo vaak noemen dat het onmo­ge­lijk voor hen zou zijn hem te verge­ten. Wellicht zou ik mijn kinderen na de maal­tijd ge­deel­ten uit de dagboeken van Thomas voor­lezen, langzaam en met een gedragen stem, zoals mijn vader dat vroeger dagelijks uit de bijbel deed. Foto’s zou ik ze geven. Foto’s waarop wij samen voorkomen. Ik zou ze vra­gen deze te bewa­ren om ze later weer aan hun kin­deren door te kunnen ge­ven. Maar ik heb nooit kinde­ren gewild.

Met ingehouden adem blijft ik staan en luister naar de geluiden van de nacht. Het eindeloos ronken van de stad, het opgewonden gesnater van een eend, het onregelmatige tikken van de regendruppels op de afgevallen bladeren. Ik bemerk hoe Thomas naast me komt staan en met licht geheven hoofd met mij meeluistert. Hoorbaar ademt hij diep de kille nachtlucht in en wijst mij op de vochtige rot­tingsgeur van de herfst. Thomas houdt van de herfst, het is zijn geliefd jaargetijde. Eens had hij me gezegd dat drie jaarge­tij­den voor wat hem betrof genoeg zou zijn geweest. Het voorjaar, de zomer en de herfst. Tegen de winter heeft hij altijd al opgezien.

Tegelijkertijd stappen we terug op het pad en slenteren weg van de muur, dicht tegen elkaar aan. Het is of we met el­kaar zijn vergroeid. De linker en rechter schouder en bovenarm aan elkaar als bij een Siamese tweeling. Wanneer we bij een T-split­sing van wegen komen, loopt Thomas zonder iets te zeggen naar links en ga ik naar rechts. Terwijl we ons van elkaar verwijderen blijf ik strak voor me uit kijken. Toch is er geen angst, ik weet dat ik Thomas niet kan kwijt­raken.

Na een twintigtal passen blijf ik staan en hoor hoe het geluid van Thomas zijn voetstappen weg­sterft in het duister. Roer­loos sta ik minutenlang in het vacuüm van de stilte dat me omringt als een glazen stolp. Plot­seling verandert het vredige van de geluidloosheid op slag in iets onheilsspellend. Een angstig makend gevoel drukt zich vanuit mijn maagstreek omhoog mijn keel in. Ik voel een onbedwing­bare be­hoefte deze doodsheid om mij heen te door­breken door al het stoffe­lijke wat mij omringt hardop te benoe­men.

‘Boom, voetpad, heu­vel, bank, brug­leu­ning, lantaren.’ Steeds herhaal ik de woorden.

In het begin komt me de into­natie van mijn stem vreemd voor, maar na enige tijd dringt het ver­trouwde ervan weer tot me door. Gelei­delijk wordt de omgeving weer iets tast­baars en nemen de nacht­geluiden opnieuw hun recht­mati­ge plaats in.

Langzaam loop ik verder het enigszins dalende pad af en blijf alles wat ik tegenkom hardop bij naam noemen. En ten slotte noem ik mijn eigen naam. Tiental­len malen.

6 reacties op “Stof onder de voeten

  1. Annelies van Kamp

    Ik kijk uit naar de rest van het verhaal!!

    Liked by 1 persoon

  2. Ik ben ook zeer benieuwd wat dit voor boek gaat worden. Het intrigeert enorm.

    Liked by 1 persoon

  3. Nelleke van Kamp

    Ik wacht met spanning af! Ben heel benieuwd

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: