De Sodomsappel – Hoofdstuk 1 – 2/3

1. De mastodont (2/3)

 

In gedachten verzonken liep ze terug naar de kleine bungalow. Voor het eerst sinds lange tijd was ze vergeten dat ze zichzelf had verboden ooit nog deel te nemen aan de goede dingen van het leven. Ze voelde zich triest en blij tegelijk, uitgeput en vol van energie. Het was alsof tijdens het lopen haar voeten de zanderige bodem niet raakten.

Tegen de laagstaande zon in kijkt Rivka naar de wazige bergen achter de wijngaarden, haar ogen tot spleetjes samengeknepen, luisterend naar de flarden van stemmen die tussen de wijnranken opklinken. De stoel waarop ze zit staat alleen met de achterpoten op de grond. Ze helt achterover en leunt met haar hoofd tegen de grillig gevormde stam van een olijfboom die zich op ongeveer vijf meter van de vakantiebungalow bevindt. Naast haar staat een tafeltje met een aangebroken fles en een half geleegd glas rode wijn. Ze was niet opnieuw naar de druivenplukkers gegaan. Toen ze die middag met verwarde gedachten en gevoelens bij de bungalow was teruggekomen, had ze zich uitgekleed en was op bed gaan liggen. De lichtheid in haar hoofd was al snel weggeëbd en had plaats gemaakt voor een gevoel van zwaarte en willoosheid. Ze maakte zichzelf het verwijt dat ze zich niet aan haar voornemen had gehouden. Diep binnen in haar was een stemmetje van verraad. Ze had Rebekka verloochend.
Boven de moerasbodem, waarop door de droogte van de laatste maanden een grillig
patroon van scheuren is ontstaan, dansen in het strijklicht van de zon ontelbare insecten. Ze sluit haar ogen. Met geen mogelijkheid kan ze zich voorstellen dat die middag bij de druivenplukkers pas vier dagen achter haar ligt. Ze heeft de afgelopen dagen ervaren als andere tijdseenheden. Het komt haar voor dat het weken is geleden dat ze op een druilerige maandag in september de deur van haar huis hard achter zich had dichtgetrokken en in de auto was gestapt.

Zonder om zich heen te kijken was ze weggereden.
‘Ik ga er een paar weken tussenuit,’ had ze zo nonchalant mogelijk tegen wat vrienden gezegd.
Ze had haar ouders gebeld. ‘Eindelijk die bleke huid van mij wat zon geven.’
Haar moeder had niet veel geantwoord, haar vader maande haar voorzichtig te zijn, haar medicijnen niet te vergeten en vooral te bellen of toch op zijn minst een berichtje te sturen. De psychiater die haar nabehandeling deed, had er na een lange stilte zijn goedkeuring aan gegeven. Niet dat hij haar had kunnen afhouden van haar voornemen, maar ze had hem niet onnodig tegen zich in het harnas willen jagen. Ook aan hem had ze niet gezegd wat ze van plan was. Niemand in haar omgeving kon vermoeden dat ze  zich had voorgenomen terug te gaan naar de oorsprong van haar dochter. Geen mens wist dat ze naar het eiland wilde waar Rebekka ruim achttien jaar geleden was verwekt. Juist naar dat eiland, hoe zou iemand dat ook kunnen begrijpen? Begreep ze zelf wel waar ze aan begon?

Rivka was op weg gegaan. Zomaar, zonder vastomlijnd plan, zonder vooraf de route te hebben bestudeerd. De eerste dag tot Parijs. De auto parkeerde ze op de Boulevard Ney en vandaar nam ze de metro naar Gare du Nord. Willekeurig lopend kwam ze terecht in de Rue des Petits Hôtels, waar ze haar intrek nam in een van de bescheiden hotels. Direct nadat ze haar weekendtas op bed had gegooid, ging ze de stad in en zwierf uren rond. Langs brede boulevards en door nauwe steegjes, in de Tuileries en langs de Seine. In een kleine Tabac, vlakbij de Notre-Dame, dronk ze rode wijn tot het donker was geworden, tot de terugtocht naar de hotelkamer niet langer kon worden uitgesteld. Toen ze in het brede, krakende bed lag, met uitzicht op het verdorde bloemenbehang dat doorliep tot over het plafond, kwamen de angst, het schuldgevoel en het gemis van Rebekka vanuit het duister op haar af. Zoals zo vaak wanneer het daglicht was verdwenen werd ze geconfronteerd met dat ene beeld dat haar al maanden lang achtervolgde: Rebekka met haar donkere ogen die haar vol verwijt aankeken, daaronder de volle mond met de bleke lippen, haar slanke vingers met de afgebeten nagels en haar magere armen.
Abrupt was ze opgestaan van het bed. Haastig kleedde ze zich aan. De weinige spullen die ze had meegenomen propte ze in de tas. Aan het slaperige gezicht achter de verfloze balie betaalde ze de rekening en vroeg haar paspoort terug. Een naar pis stinkende taxi, die godzijdank werd bestuurd door een zwijgzame Algerijn van ver boven de pensioengerechtigde leeftijd, reed haar naar haar auto. Daar zat ze bijna een half uur met haar hoofd steunend op het stuur, starend naar haar voeten op de donkere vloermat. Slechts met grote krachtsinspanning kon ze zich verweren tegen de drang terug te rijden naar huis. Zich op te sluiten binnen de betrekkelijke veiligheid van haar woning, waarvan de kille leegte die ze daar wist haar op dat moment bijna weldadig voorkwam. Uiteindelijk overwon ze haar twijfels en nam het besluit toch verder te gaan. Ze zou zich door niets of niemand van haar voornemen laten afhouden.

De hele nacht reed ze door, het raampje naast zich open en het volume van de dvd-speler bijna op vol. Ze bleef rijden tot ze bij het eerste ochtendlicht de rechterhelft van haar vermoeide gezicht in de achteruitkijkspiegel zag. Bij een klein routiers-café stopte ze en strekte haar verstijfde ledematen. Ze dronk koffie in de rokerige ruimte, tussen rumoerige vrachtwagenchauffeurs. Aan het eind van de middag arriveerde ze in Marseille en reed direct door naar de haven. Een jonge vrouw met opgestoken zwart haar en een perfect opgemaakt gezicht, vertelde haar vanachter het kleine raampje van het loket dat er voor diezelfde nacht nog dekplaatsen beschikbaar waren op de nachtferry.
Toen ze haar auto achter de gereedstaande rij voertuigen op de kade had geparkeerd, werd ze overvallen door een alles omvattende moeheid. Ze klapte de leuning van de stoel achterover en viel bijna direct in een loodzware slaap. Ruim drie uur sliep ze aan een stuk door, totdat ze door de chauffeur van de achter haar staande camper werd gewekt. Stapvoets en met een hoofd dat nog dronken voelde van de slaap, reed ze de geopende muil van het schip binnen.

Die nacht lag ze op haar rug op een van de harde houten banken van het achterdek. De weekendtas lag onder haar hoofd en haar jas had ze over zich uitgespreid. Ze keek naar de ontelbare sterren boven zich en luisterde naar de bonkende hartslag van het schip. En vurig hoopte ze dat ze de komende weken iets van de kracht zou krijgen waarmee deze mastodont zich door het water bewoog.

© Harme van Kamp - Amsterdam
Bron afbeelding: Unsplash

 

11 gedachtes over “De Sodomsappel – Hoofdstuk 1 – 2/3

  1. Geboeid heb ik dit prachtig geschreven verhaal gelezen. De innerlijke strijd die de vrouw levert is herkenbaar. Ze wil weg, ze is onderweg, maar ze heeft zo haar twijfels. Ik hoop dat ze kan volhouden. Dat zullen we waarschijnlijk lezen in deel 3?

    Liked by 2 people

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.