‘Mamma ik moet poepen,’ zei het jongetje voor me in de rij bij de kassa tegen zijn moeder. Hij zat als een prins in het boodschappenwagentje. In zijn ene hand had hij een croissant, in zijn andere een smartphone waar hij onophoudelijk op keek. Ook toen hij de magische woorden over het poepen uitsprak, bleef zijn blik op de telefoon gericht.

Zijn moeder deed alsof ze niets had gehoord en ging verder met het plaatsen van een grote hoeveelheid boodschappen op de band van de kassa. Deed alsof, omdat het jongetje de zin zo hard had uitgesproken dat het voor niemand binnen een straal van 100 meter te negeren was geweest.

Het jongetje kreunde hoorbaar, nam een hap van zijn croissant en schreeuwde met volle mond opnieuw: ‘Poepen mamma, ik moet poe-pen!’

De moeder zuchtte hoorbaar. ‘Je wacht maar even,’ zei ze terwijl ze kennelijk onverstoorbaar verder ging met het  uitladen van haar boodschappen. ‘Hier kan dat even niet.’

Het jongetje keek een fractie van een seconde op van zijn mobieltje en gooide vervolgens het restant van zijn croissant in het gezicht van zijn moeder. ‘Dan hoef ik die stomme crosant van jou ook niet meer,’ riep hij verontwaardigd uit.

Ik zag hoe de rug van de moeder voor me een fractie van een seconde verstijfde, zich oprichtte en het kind een enorme draai om zijn oren gaf. ‘We gaan niet met eten naar je moeder gooien,’ siste ze hem toe. ‘En poepen doe je maar in je broek of je houdt het gewoon op tot we thuis zijn. Doe effe normaal zeg.’

Het was fascinerend om te zien hoe de reactie van het kind verliep. Eerst zag je hem aanstalten maken om te gaan huilen, toen bedacht hij zich en keek om zich heen, wellicht om te kijken of hij medestanders kon organiseren. Vervolgens vermande hij zich, vormde met  zijn duim en wijsvinger een denkbeeldige revolver en met een poeffff-geluid schoot hij twee keer op zijn moeder. Toen richtte hij zijn blik opnieuw op de smartphone en zei zachtjes: ‘En toch moet ik poepen.’

‘Goed opvoeden is het halve werk,’ zei de caissière tegen de moeder. ‘Wilt u koopzegels?’