De Sodomsappel – Hoofdstuk 10 – (1/1)

De Sodomsappel
September 1989. Rivka, een 43 jarige vrouw, gaat terug naar het eiland
waar haar dochter Rebekka 18 jaar geleden is verwekt. Rebekka was
verslaafd aan harddrugs en is op 17 jarige leeftijd overleden. Rivka
hoopt op het eiland met zichzelf in het reine te komen met betrekking
tot de dood van haar dochter en een antwoord te vinden op de vraag of
en zo ja hoe ze verder wil met haar leven.
Larissa is een 23 jarige vrouw die na een wandeltocht in de bergen van het
eiland op dezelfde camping terechtkomt als die waar Rivka een bungalow
heeft gehuurd. Larissa worstelt nog met de verwerking van een stukgelopen
liefde.

10. Op de bodem van de zee (1/1)

 

Larissa probeerde zich te concentreren op haar boek maar de letters dansten voor haar ogen. Telkens dwaalden haar gedachten naar de vrouw onder de olijfboom. Ze verweet zichzelf dat ze de gelegenheid van zo even niet had aangegrepen om te vragen waarom ze haar stalkte en haar steeds zo aanstaarde. Maar ze was teveel in beslag genomen door het verwarde, zenuwachtige gedrag van haar. Ze had zelfs het sterke vermoeden dat die vrouw haar portemonnee met opzet op de grond had laten vallen.
Maar als die vrouw werkelijk zo graag met haar contact wilde komen, bedacht Larissa zich, waarom had ze haar dan niet gewoon aangesproken. Toen die vrouw had ontdekt dat zij ook een Nederlandse was had ze toch een prima gelegenheid gehad? Maar het enige dat ze had gezegd was: bedankt voor de moeite, en: niet erg bijdehand van me.

Larissa schrok op uit haar gepeins door een harde klap. Toen ze over haar linker schouder keek zag ze dat de stoel waarop de vrouw had gezeten was omgevallen, waarschijnlijk doordat ze deze te wild naar achteren had geschoven bij het opstaan. Ze zag hoe de vrouw de stoel met een onbeheerst gebaar rechtop zette, haar glas wijn in een teug leegdronk, de halfvolle fles van tafel pakte en zonder om zich heen te kijken met het glas en de fles het restaurant uitliep. Ze verkeerde in de veronderstelling dat de vrouw wegliep om buiten op het terras te gaan zitten, maar toen ze door de geopende ramen naar buiten keek of ze haar daar kon zien, zag ze  de vrouw met driftige passen over het terras lopen en het trapje naar het strand afgaan. Haar rode sweatshirt bleef het langst zichtbaar. Toen stapte ze uit het naar buiten vallende licht van het restaurant en verdween in de duisternis.
Larissa bleef staren naar de plek waar de vrouw in het donker was verdwenen alsof ze verwachtte dat zij ieder moment weer in de naar buiten vallende lichtvlek zou terug stappen, als bij een film die achteruit wordt afgespeeld. Langzaam richtte ze haar blik van het raam weer op de bladzijden van haar boek, maar ze kon niet meer lezen. Steeds zag ze het ver­bit­ter­de en vermoeide gezicht voor zich. De schuw naar haar kijkende ogen. Met een klap sloot ze haar boek en gebaarde de ober dat ze wilde afre­ke­nen.
Toen ze had betaald, stopte ze het boek in het rug­tasje dat naast haar stoel op de grond stond en liep naar buiten het terras op. Een moment stond ze stil om haar ogen de kans te geven aan het donker te wennen, toen liep ze het houten trapje af naar het strand.

In gedachten slenterde ze in de richting van de zee. Buiten het zachte ruisen van de golven was geen enkel geluid hoorbaar. Ineens zag ze de vrouw zitten. Aan de rand van het water, iets links van haar doemde ze plotseling op. Een in elkaar gedoken, zwart silhouet. Stap voor stap liep Larissa in haar richting, zich onderwijl afvragend of ze haar zou gaan aanspreken. Iets meer zou gaan zeggen dan alleen een korte groet, of een ‘slaap lekker.’
Toen Larissa vlak achter de vrouw stond had deze haar nog altijd niet opgemerkt. Ze zat met de halfvolle fles wijn in haar hand en staarde naar de grond.
‘Vind je het goed als ik even naast je kom zitten?’ vroeg Larissa zachtjes.
De vrouw schrok zichtbaar, kromp nog verder ineen en keek verschrikt om. ‘Jezus, ik schrik me rot.’
‘Sorry,’ zei Larissa. Vanuit de verte hoorde ze rumoerig lachende mannenstemmen. Met haar gezicht in de richting van de zee ging ze links naast de vrouw zitten. ‘Wat schittert het water mooi hè, zo met dat maanlicht erop.’
Ze hoorde hoe de vrouw een slok uit de fles nam en hem terugzette in het zand. Verder niets, geen woord, geen enkele reactie wees erop dat ze gehoord had wat ze had gezegd. Larissa vroeg zich af waar het glas was gebleven.
‘Ik ben Larissa,’ probeerde ze andermaal.
‘Ik ben Rivka. Proost.’
Weer hoorde ze de vrouw een slok uit de fles nemen. Toen werd de fles uitnodigend voor haar in het zand neergezet.
‘Neem gerust wat wijn, alleen moet je het uit de fles drinken, het glas ligt ergens op de
zeebodem.’
Op de zeebodem, dacht Larissa, hoe komt dat daar nou?
Ze pakte de fles op en hief hem in een proostend gebaar omhoog in de richting van Rivka.
‘Proost dan maar,’ zei ze en nam een klein slokje van de wijn waarna ze de fles tussen haarzelf en Rivka terug in het zand zette. ‘Hoe is je glas op de zeebodem verzeild geraakt?’
‘Gegooid, met alle kracht die ik in me had.’
‘O gegooid, bijzonder,’ zei Larissa. Ze dacht terug aan het moment dat ze zich een had gevoeld met de zee en hoe het zou zijn geweest een wijnglas op de bodem te zien liggen. In gedachten schetste ze een beeld waarin het glas reeds bezet was met pokken en begroeid met wier. Toen schudde ze haar hoofd en vroeg: ‘Waar kom jij vandaan?’
Lange tijd was het stil, toen antwoordde Rivka: ‘Den Haag.’
Larissa ervoer de afstandelijkheid die Rivka uitstraalde bijna als iets tastbaars. Mijn God, waar ben ik aan begonnen, dacht ze en draaide haar hoofd naar rechts. Rivka keek met een verbeten gezicht strak voor zich uit, de armen om de opge­trok­ken knieën geslagen.
‘Ik woon in Rotterdam. Blijf je nog lang hier?’
Even keek Rivka Larissa aan en haalde haar schouders op. ‘Geen flauw idee. Vlak voordat jij kwam zat ik er juist over na te denken morgenochtend te vertrekken, maar ik weet niet of ik genoeg moed en energie kan verzamelen het hele stuk naar huis terug te rijden.’
‘O, ben je met de auto hier,’ zei Larissa. ‘Ik met het vlieg­tuig. Woensdag vlieg ik terug.’
De vrouw keek haar opnieuw zwijgend aan.
Larissa dacht er over na of ze de naam Rivka bij haar vond passen, maar kwam niet verder dan dat ze het een mooie naam vond, een naam vol beloften. ‘Is dit de eerste keer dat je hier bent?’ vroeg ze.
‘Nee, de tweede keer. De eerste keer is ruim negentien jaar geleden. Hoe zei je ook al weer dat je heet?’
‘Larissa. Dat is een Russische naam, mijn moeder is een Russin, vandaar.’
‘Larissa,’ herhaalde Rivka zachtjes. Daarna zweeg ze weer, starend over het water.
Na een tijdje stond Larissa op. ‘Ik ga terug naar mijn tent, ik ben moe. Loop je zover mee of blijf je hier nog zitten?’
Rivka keek omhoog. ‘Ik blijf nog even,’ zei ze bijna onverstaanbaar. ‘Welterusten, Larissa.’
‘Welterusten Rivka. We zien elkaar vast nog wel.’Rivka keek omhoog naar haar, maar zei niets.
‘Heb je anders zin om morgenavond samen te gaan eten,’ vroeg Larissa. Het was er uit voor ze er erg in had. 
Toen stond ook Rivka op. Ze klopte het zand van haar zich af, keek Larissa recht in de ogen en zei: ‘Vind je het goed als ik toch met je mee loop?’

Bron afbeelding: © Harme van Kamp - Amsterdam

 

5 gedachten over “De Sodomsappel – Hoofdstuk 10 – (1/1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s