Toen ik bij de kapel aankwam ontsloot een gebochelde vrouw gekleed in een smoezelige jasschort juist met een grote sleutel de donkere zware deur. Met een brede glimlach van haar tandeloze mond opende ze de deur, stapte opzij en gebaarde dat ik naar binnen kon gaan. Toen ik de koele donkerte was binnen­gestapt waaide een geur van vocht en schimmel, vermengd met de weeïg zoete geur van wierrook mij tegemoet. Een tijdje was ik in het voorportaal blijven staan om mijn ogen te laten wennen aan het koele duister dat er heerste en ik hield mijn blik gericht op de flakkerende kaarsen bij een beeld van de gekruisigde Jezus met een goudkleurige stralenkrans boven Zijn hoofd rechts van mij in de hoek. Van de hitte van buiten was hier binnen in die kapel niets te merken. Het was kil en ik voelde hoe het kippenvel de haartjes op mijn armen overeind deed staan.

Toen ik enigszins was gewend aan de donkerte om me heen en de kapel inliep, had de weerkaatsing van het geluid van mijn voetstappen op de uitgesleten marmeren tegelvloer dreigend geklonken. Het voelde alsof ik in een filmscène figureerde waarvan de afloop onheilspellend slecht zou zijn. Een kort moment overwoog ik het hierbij te laten, me om te draaien en terug te gaan naar het licht en de hitte van buiten, maar ik had niet toegegeven aan de impuls.

Lang had ik doorgebracht in de kapel en was meerdere malen langs de veertien fresco’s van de kruiswegstatie gelopen. Ik raakte in de ban van de door de tijd verbleekte muurschilderin­gen. De vrouwen op de fresco’s waren van een tijdloze volmaaktheid. Het verdriet en de pijn die ze uitstraalden terwijl ze opkeken naar hun Zoon, Heer, Meester en Minnaar, de handen in onmacht geheven, hun gelaten die diepe droefenis uitstraalden, sneden dwars door mijn ziel. De tand des tijds had aan hun afgebeelde eeuwigdurende smart niets kunnen afdoen.

Bron afbeelding: Pexels via WordPress