Laatst droomde ik van mijn vader. Niet mijn vader zoals hij de laatste jaren van zijn leven was en ik mij hem meestal herinner: een oude man, slecht ter been en sinds de dood van mijn moeder toch een beetje eenzaam en om het hand. Vannacht was hij in mijn droom de vader zoals ik hem ervaarde als jongen: een diepgelovig man met ogen die altijd op zoek waren, kostwinner, veel aan het werk en vader van mij en mijn twee zussen.

In mijn droom zat mijn vader in onze woonkamer achter het Johannes de Heer harmonium en speelde er op. Ik was een kind, stond links schuin achter hem en keek naar zijn handen. In mijn kinderogen waren het kolossale handen die boven het klavier zweefden, zijn vingers zoekend naar de juiste toetsen, de voeten trappend op de pedalen om het harmonium van lucht te voorzien. En het bijzondere was dat hij er bij zong. Ik kan me mijn vader niet zingend voor de geest halen, maar in die droom zong hij uit volle borst. Hij speelde en zong een lied uit een voor hem liggende opengeklapte bundel. Ik zag hoe zijn ogen over de voor hem liggende bladzijden gingen, maar de woorden die hij zong verstond ik niet, hoe ik mij daarvoor ook inspande. Hij zong in een voor mij onbegrijpelijke taal.

Toen ik iets vooroverboog en probeerde de tekst vanuit de openliggende bundel te lezen, zag ik dat de bladzijde onbedrukt waren, ze waren volkomen blanco. Ik nam de bundel in mijn handen en zag dat het de zakbijbel was die hij altijd meenam naar de zondagse kerkdiensten. Toen ik het dunne papier van de bladzijden knisterend langs mijn duim liet gaan, bleek dat alle pagina’s leeg waren. Mijn vader zong uit een bijbel waarin niets stond geschreven.