De stad is nog uitgestorven, de straten zo goed als leeg. In het oosten gloort de dageraad en kondigt de nieuwe dag aan. Hoewel het vannacht een paar graden heeft gevroren, wordt de temperatuur vandaag hoog voor de tijd van het jaar. Ik het koud, stop mijn handen wat dieper in mijn zakken en stap stevig door.

In de verte duikt de torenspits van de Westerkerk op en tekent scherp af tegen de onbewolkte lucht, of moet ik in dit geval van hemel spreken? Vroeger vertelde een leraar op de “lagere school met de bijbel” tijdens de godsdienstles ons eens dat een torenspits de Vinger Gods verbeeldde. De vinger die ons er aan moet herinneren dat ons verblijf hier op aarde slechts tijdelijk is en laat weten waar wij uiteindelijk terecht zullen komen; voor de troon van God die over ons zal oordelen. Voor Hem staand zal Hij ons verwijzen naar de vreugde van het eeuwige paradijs of naar de verdoemenis van de hel, die evenzo eeuwigdurend zal zijn.

“Kies zelf maar,” had de leraar er bij gezegd. Als kind had ik die leraar op zijn woord geloofd en mijn best gedaan een schaapje van Gods grote kudde te zijn. Elke avond voor het slapen gaan vroeg ik daar om, zittend op mijn knieën aan de rand van mijn bed. “En laat mij van Uw grote kudde ook een heel klein schaapje zijn,” sprak ik de laatste zin van mijn avondgebed. Mijn moeder hoorde het aan en knikte goedkeurend.

Ik moet glimlachen om de herinnering van zo-even en nogmaals laat ik mijn blik omhoog gaan naar de gekroonde torenspits. Ik doe mijn best er deze keer alleen maar de toren van de Oude Wester in te zien.