In mijn kindertijd was er in het dorp waar ik woonde de viswinkel van juffrouw Slange. Het was maar een kleine winkel met een evenzo kleine etalage. Altijd als ik langs die etalage liep moest ik even blijven staan om te kijken naar die bleek-dode vissen die daar lagen uitgestald en mij met hun kille ogen aankeken. Bij sommige vissen stond de bek een stukje open, alsof ze iets wilde roepen naar mij.

Soms moest ik van mijn moeder naar het viswinkeltje van juffrouw Slange om vis te kopen. Meestal waren dat scholletjes die mijn moeder zelf bakte. Ze haalde ze dan eerst door de melk en vervolgens door de bloem alvorens ze in de hete boter te laten glijden.

Liever ging ik niet naar binnen bij Juffrouw Slange want ik vond het er stinken. Ik probeerde dat op te lossen door zo lang mogelijk mijn adem in te houden en als ik dat niet meer volhield, alleen maar door mijn mond te ademen. Bovendien vond ik Juffrouw Slange eng. Waarom dat zo was, kan ik nu met geen mogelijkheid meer terughalen. Misschien was het om haar naam, misschien omdat ze nooit een woord sprak, maar het kan evenzo goed een andere reden zijn geweest.

Wanneer ik de winkel was binnengestapt, moest ik steevast een tijdje wachten voordat juffrouw Slange vanuit de kamer, die achter de winkel was gelegen, in de deuropening verscheen. Tussen de winkel en haar woonruimte was een matglazen ruit waardoor ik het silhouet van haar kon zien naderen. In mijn herinnering liep ze waggelend, was klein van stuk en droeg altijd dezelfde smoezelige schort waarop visschubben als zilveren lovertjes glinsterden. Opgelucht was ik wanneer ik met de gekochte scholletjes, verpakt in een krant, de winkel kon uitrennen, terug naar huis.

Op een keer is het gebeurd dat ik zo wild de krant van de toonbank griste om weer zo snel als mogelijk naar buiten te kunnen, dat de vissen uit de krant gleden en op de natuurstenen winkelvloer kletsten. Juffrouw Slange slaakte een rauwe kreet, kwam wonderlijk snel achter de toonbank vandaan en gaf mij met haar vlakke hand een oorverdovende klap tegen mijn hoofd. Ze raapte de vissen op van de vloer en keek me doordringend aan. Nadat ze de vissen weer in de krant had ingepakt, gaf ze het pakje weer aan mij met de woorden: ‘En nou goed in je kluiven houden, schollekop.’

Nooit heb ik nog één voet in die winkel gezet.

Bron afbeelding: Pexels via WordPress