Aan het eind van de zevendaagse wandeltocht door het prachtige landschap van de Yorkshire Dales, zit ik, op wat waarschijnlijk de warmste dag van het jaar gaat worden, aan het ontbijt in een typisch Engelse Inn.

Na mijn fried eggs with tomato, rooster ik nog een toast. De plastic kuipjes met jam, die te felle kleuren hebben waardoor het doosjes met verf lijken, bevallen mij niet en ik besluit er alleen boter op te smeren. Als ik het pakje, dat precies genoeg is voor één portie, open maak, blijkt de boter bijna vloeibaar door de hitte die er heerst.

In gedachten verzonken, genoegzaam terugkijkend op de geslaagde trektocht, knabbel ik de beboterde toast, wanneer plotseling het woord tevredenheid in mijn geheugen oppopt.

En in gedachten zie ik mijzelf als kind aan tafel zitten, samen met mijn oudere zus en moeder. Drie boterhammen moest ik eten wanneer ik tussen de middag thuis kwam van school. Als ik mijn derde snee brood heb bedekt met een dun laagje Blue Band margarine en er vervolgens leverpastei op wil smeren, hoor ik, terwijl mijn mes al boven het blikje met het bruine smeersel zweeft, de stem van mijn moeder die zegt: “Nee jongen, je weet: De laatste boterham is er één met tevredenheid.”