De man zat op een groen geverfde bank, in de schaduw van een eik die misschien wel net zo oud was als hij zelf. Hij had een kakikleurige korte broek aan en droeg sandalen. Zijn onderbenen waren tot aan de knieën bedekt met vleeskleurige steunkousen en aan zijn voeten droeg hij bruine sokken. Eén hand rustte in zijn schoot met de palm naar boven gericht. In de andere hand, die slap langs de zijkant van de bank omlaag hing, hield hij een grote witte zakdoek. Geregeld maakte hij daarmee wapperende gebaren rond zijn hoofd, alsof hij een militair was die wilde laten weten dat hij de strijd voor gezien hield en zich wilde overgeven aan de vijand. Hij zag er verhit uit en telkens wanneer hij met de zakdoek rond zijn hoofd zwaaide, hoorde ik hem iets mompelen.

Net toen ik hem voorbij liep, stond hij op en riep: ‘Nu is het wel genoeg, stelletje plaaggeesten.’

Ik bleef staan en vroeg wat er aan de hand was en of ik hem wellicht ergens mee kon helpen.

De man liet zich luid puffend weer op de bank zakken. ‘Vespula vulgaris meneer, wespen, en ze laten me niet met rust. Kennelijk scheid ik een aantrekkelijke geur voor ze af.’

Ik zag dat er inderdaad opvallend veel wespen in zijn buurt rondvlogen.

‘Ik heb dat met al dat gespuis: muggen, horzels, wespen, steekvliegen. Altijd zoeken ze mij op en wanneer ze mij eenmaal hebben gevonden laten ze me niet meer met rust. Vroeger sloeg ik ze morsdood meneer en het liefst met de Volkskrant, maar omdat we met z’n allen het milieu hebben verziekt is dat niet meer verantwoord. Insecten zijn de dupe geworden van ons ongeremd consumptiegedrag. Net zoals trouwens de Zuid-Chinese tijger, de Hainan-gibbon, de Javaanse neushoorn, de walvis en…’

Hij zweeg, wapperde opnieuw met zijn zakdoek en keek me afwachtend aan alsof hij er op rekende dat ik zijn lijst met bedreigde diersoorten zou aanvullen. Maar voordat ik kon reageren met het noemen van het sneeuwluipaard, een prachtig beest waarover ik onlangs een documentaire had gezien, stond hij opnieuw op van de bank. Met veel gevoel voor theater haalde hij zijn broek op, veegde met zijn witte zakdoek zijn voorhoofd af en haalde een hand door zijn dunne spierwitte haar. Toen knikte hij groetend naar mij en liep weg in de richting waar ik vandaan was gekomen.

Met enige verbazing ging ik op de bank zitten waarop hij zonet had gezeten en keek hem na. Hij liep met wonderlijk grote passen, geregeld driftig wapperend met zijn witte zakdoek. Zijn motoriek en gebaren deden mij denken aan de oud-leraar Duits, ooit een typetje van Wim de Bie. Toen hij uit het gezicht was verdwenen, leunde ik achterover en keek om me heen. Het viel me op dat er geen wesp meer was te bekennen.