Weten of ik besta

IS DE ZEE ER?
Is de zee er? Prachtig, laat maar komen. 
Geef me de grote klok, die van groen geslacht,
nee, die niet, die andere
met een breuk in haar bronzen mond,
en nu, verder niets, ik wil alleen zijn
met de fundamentele zee en de klok.
Ik wil een lange tijd niet praten,
stilte, ik wil nog leren,
ik wil weten of ik besta.
Pablo Neruda

De Chileense dichter Pablo Neruda stierf op 23 september 1973 in Santiago in Chili.

Hij leed al lange tijd aan prostaatkanker en was daarvoor in een ziekenhuis opgenomen ten tijde van de coupe d’état door Augusto Pinochet.

Vijf dagen daarna ging hij naar huis omdat, zo zei hij, een arts hem een injectie met een onbekende substantie had gegeven om hem in opdracht van Pinochet te vermoorden.

Ruim zes uur nadat de injectie hem was toegediend, overleed Pablo Neruda, twaalf dagen na zijn vriend en democratisch gekozen president van Chili, Salvador Allende.

Als officiële doodsoorzaak werd cachexie opgegeven als gevolg van prostaatkanker en hartfalen, maar zijn nabestaanden hebben hierover altijd sterke twijfels gehad.

Een onderzoeksrechter gaf in april 2013 opdracht het stoffelijk overschot van Neruda te laten opgraven om te onderzoeken wat de doodsoorzaak is geweest.

In een officiële verklaring werd in maart 2015 verklaard dat duidelijk mogelijk en hoogstwaarschijnlijk is dat Pablo Neruda was overleden door de interventie van derden.

Gisteren las ik in de media dat er afgelopen vrijdag een persconferentie was gehouden waarin werd verklaard dat: “Wat zeker is, wat honderd procent zeker is, is dat het officiële certificaat niet overeenstemt met de werkelijkheid van het overlijden”.

Er zou een onbekende bacterie in het lichaam van Neruda zijn ontdekt. Een bacterie die mogelijk in een laboratorium is gekweekt.

Verder onderzoek naar deze bacterie is vereist en zal zes tot twaalf maanden in beslag gaan nemen.

Insomnia

INSOMNIA

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliedt gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘te wapen’,
Waar de levenswil ten strijd mee noodt,
Naast der doodsklaroenen schrille stoot,
Die de grijsaards oproept met de knapen.

Evenals een vrouw, die eens zich gaf,
Baren moet, of ze al dan niet wil baren,
Want het kind is groeiende in haar schoot,

Is elk wezen zwanger van de dood,
En het voorbestemde doel van ’t paren
Is niet minder dan de wieg het graf.
J.C. Bloem (1887-1966)

Als kind heb ik een periode gehad waarin ik vaak piekerde over hoe het zou zijn als je dood was. Vooral ’s nachts kon ik er erg mee bezig zijn en lag er soms uren wakker van.
Ook was ik bang dat wanneer ik zou gaan slapen ik niet meer wakker zou worden.
Ik kon me bij de dood natuurlijk niet echt iets voorstellen en voor mij gold toen zeker: “Onbekend maakt onbemind”. 

Een schrale troost was het feit dat ik toen, vanuit het geloof waarin ik werd opgevoed, dacht na mijn dood naar de Hemel te kunnen gaan.
Maar tegelijkertijd was er altijd de angst dat het wel eens vies kon tegenvallen en ik in de Hel zou belanden.

Echter waar ik me het meest druk om maakte, was de periode direct na het sterven.
Wat zou er met me gebeuren als ik mijn laatste adem had uitgeblazen.
Hoe snel zou ik echt dood zijn, dacht ik, en zou ik nog kunnen horen wat er werd gezegd over mij? Zou ik mijn moeder en zussen kunnen horen huilen?
Die laatste gedachte ontroerde me zo dat ik er zelf ook om moest huilen.

Soms zag ik mezelf in een afgesloten kist liggen, keurig in mijn “zondagse kleren” terwijl ik nog steeds alles bewust meemaakte, maar niet in staat was iets te zeggen of te doen.
Ik hoorde de stemmen van mijn ouders en zussen hol en gedempt door het hout van de kist klinken en ik zag in mijn verbeelding zelfs het buitenlicht door de kieren van het deksel schemeren.
Het leek me zo wreed dat ik alles zou kunnen zien en horen, maar niet in staat zou zijn iemand te bereiken.

De zeldzame keren dat ik als kind met mijn ouders op een begraafplaats ben geweest om  het graf van mijn oma te bezoeken, bevestigde die gevoelens.
Lopend tussen de graven, de schelpen van het pad knisterend onder mijn schoenen en met de zeewind suizend in mijn oren, hoorde ik geluiden die alleen maar van menselijke stemmen konden zijn. En al kon ik niet verstaan wat ze fluisterden, het moest een smeken zijn om bevrijd te worden uit die donkere aarde.

Best griezelig allemaal, maar het hoorde bij die periode van magisch denken in mijn jonge leven.

Even onverwacht als ze waren gekomen, waren die gedachten ook weer verdwenen en werd mijn kinderbrein opgeëist door andere belangrijke zaken.

Vlucht van de tijd

DE MUZE

Het lijkt wanneer ik op haar zit te wachten,
’s Nachts, of het leven aan een draadje hangt.
Ach, eer, jeugd,vrijheid, – het zijn loze krachten
Voor deze lieve gast. Zie, in haar hand
Een fluit, haar sluier is teruggeslagen,
Met aandacht in haar blik slaat zij mij ga.
‘Was jij het die aan Dante,’ zal ik vragen,
‘De Hel dicteerde?’ Zij zal zeggen: ‘Ja.”


In 1991 kocht ik het boek “Vlucht van de tijd”.
Het is een bundel met gedichten en herinneringen van de Russische dichteres Anna Achmatova.
Deze week ging het boek opnieuw door mijn handen toen ik snuffelde tussen mijn poëzie bundels.
Toen ik er in ging lezen, vergat ik de tijd en wist ik direct weer waarom ik het toen had gekocht.

Anna Andrejevna Achmatova (Russisch: Анна Андреевна Ахматова) is geboren in Gorenko bij de plaats Odessa op 23 juni 1889.
Ze wordt gerekend tot een van de grootste dichters uit de geschiedenis van Rusland/de Sovjet Unie. 
Ze verzette zich tegen de ontwikkelingen in de Sovjet Unie na de revolutie van 1917. Daarin was zij erg teleurgesteld en schreef en dichtte erover.

Anna Achmatova behoorde tot een groep jonge dichters die zichzelf naar het Griekse woord akmé – dat “hoogtepunt van een ontwikkeling,” “bloei” betekent – acmeïsten noemden.
De benadering van hun poëzie was nuchter en ambachtelijk. Ze kozen het liefst voor alledaagse onderwerpen en vermeden metafysische, mystieke en occulte termen.
Haar eerste bundel “Avond” verscheen in 1912. In datzelfde jaar werd haar enige kind Lev, een zoon, geboren.


Anna Achmatova was een geëngageerd dichteres en bleef, ondanks alles wat ze in Rusland heeft meegemaakt, houden van het land waar ze geboren en gestorven is.
Ze overleed  op 5 maart 1966 aan een hartinfarct en ligt begraven bij Komarova.

(…) “Ik ben nooit opgehouden gedichten te schrijven. Poëzie verbindt mij met de tijd, met het nieuwe leven van mijn volk. Bij de verzen die ik schreef leefde ik op de ritmes die klonken in de heldhaftige geschiedenis van mijn land. Ik ben gelukkig dat ik deze jaren geleefd heb en gebeurtenissen zag die hun gelijke niet kenden.”
(Uit: Vlucht van de tijd – Meulenhof)

Het gedicht waar ik deze blog mee ben begonnen is uit het Russisch vertaald door Hans Boland.
Maar Joseph Brodsky, die een groot bewonderaar was van Anna Achmatova, vergeleek de vertalingen van haar werk eens met de censuur die ze tijdens haar leven heeft ondervonden.
Erg jammer dat ik geen Russisch kan lezen, dan had ik me hierover zelf een mening kunnen vormen. Ik moet me nu dus “behelpen” met vertalingen.
Dat vertalen van poëzie ook te maken heeft met “opnieuw dichten” blijkt wel toen ik 
hetzelfde gedicht in een vertaling van Marja Wieber en Margriet Berg las.

MUZE

Wanneer ik ’s avonds wacht of zij zal komen,
Dan hangt het leven, lijkt het, aan een draad.
Wat maal ik nog om roem, jeugd, vrijheidsdromen
Als zij met haar schalmei daar voor mij staat. 
Daar is ze. Met haar sluier teruggeslagen,

Kijkt ze mij aan met onverholen blik.

‘Was jij het die aan Dante,’ zal ik vragen
‘De Hel dicteerde?’ ‘Ja,’ is ’t antwoord. ‘Ik’.
Het is aan de lezer om te beoordelen welke vertaling het meest tot de verbeelding spreekt.

Egoïste

Over het algemeen zijn reclamespotjes op tv niet bijster interessant.
Uit onderzoek blijkt dat mensen tijdens reclame wegzappen of andere dingen gaan doen dan tv kijken.
Ook steeds meer mensen nemen films van commerciële zenders op en spoelen de reclames, die tijdens de film worden vertoond, dan snel door.

Met de nieuwe manier van tv kijken via betaalzenders, zoals bijvoorbeeld Netflix of via NPO Start (het nieuwe Uitzending Gemist), spelen tv-reclames een steeds kleinere rol.

Toch hoeven reclames niet altijd vervelend te zijn.
Er zijn in de loop der jaren legio voorbeelden van reclamespotjes die viral gingen.
Muziek speelde daarbij vaak een grote rol en meerdere keren werden gebruikte nummers (opnieuw) een hit.

Een bekend voorbeeld hiervan was het spotje van Centraal Beheer uit 2004 met daarin het nummer: “The Lions Sleeps Tonight”

Ook klassieke muziek speelt in de tv-reclame een rol al is dat niet altijd een onverdeeld genoegen.

De makkelijkste voorbeelden zijn natuurlijk die voor pasta of pizza met Italiaans aandoende muziek van bijvoorbeeld Giuseppe Verdi uit de opera Rigoletto het deel “La donna e mobile”

Maar er zijn ook meer intelligente voorbeelden te noemen.
Een spotje dat mij is bijgebleven was van Levi’s Jeans uit 2002.
Toen ik het voor de eerste keer zag en hoorde, wist ik dat dit in mijn geheugen zou worden opgeslagen.
De muziek hierbij is van George Friedric Handel, “Sarabande” (uit de vierde suite).

Maar het best gelukt is voor mij nog altijd die van Chanel voor de mannengeur “Egoïste”.

Een vrouwenkoor schreeuwt “Egoïste” en andere teksten uit Pierre Corneille’s theaterstuk “Le Cid”. Ondertussen klinkt de Ridderdans uit het ballet Romeo en Julia van Sergei Prokofjiev
Een bijna kunstzinnige, surrealistisch aandoende reclamespot.

 

 

 

Oudewijvenzomer

De nazomeroudewijvenzomer of sint-michielszomer (soms ook wel als Été Indien of Indian Summer aangeduid) is de periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn. Weliswaar daalt in deze tijd van het jaar de gemiddelde middagtemperatuur in De Bilt van ongeveer 20 graden naar 9 graden, maar er zijn ook regelmatig periodes die volledig aan de zomer doen denken.
(bron: WikipediA})


Een nazomerdag zoals vandaag is iets waar bijna iedereen met volle teugen van geniet.

Met de donkere en natte dagen van november en december in het vooruitzicht laaft men zich aan de weldadige warmte van de inmiddels al behoorlijk laagstaande herfstzon.
Hier en daar zag ik zelfs weer korte broeken, rokjes en topjes in het straatbeeld.
Er komt dan een zweem van vriendelijkheid en verdraagzaamheid over de mensen waardoor alles lichter wordt. Men heeft het over “een cadeautje” en de terrassen zijn gevuld al was het hoogzomer.
Nazomerdagen, we kunnen er niet genoeg van krijgen.
Ook in de literatuur en poëzie is het een dankbaar item.

Dit jaar bijvoorbeeld verscheen van Esther Verhoef een roman met de titel Nazomer,
en een boek met dezelfde titel verscheen in 2013 van de hand van Jaap Willems.

Lucebert schreef in 1968 een “pacifistisch” gedicht, eveneens met de titel Nazomer.
nazomer

ik heb in het gras mijn wapens gelegd

en mijn wapens gaan geuren als gras

ik heb in het gras mijn lichaam gelegd

mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet
dit liggen dit nietige luchtige liggen
als een gele foto liggend in het water
glimmend gekruld op de golven
of bij het bos stoffig van lichaam en schaduw
oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan
maak nog niet zwaar hun wangen hun ogen
kleiner gebrilder en grijzer
laat ook de minnaars nog liggen en stilte
zwart tussen hun zilveren oren en ach
laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen
(Lucebert)

En verder terug in de tijd, naar 1905, vinden we onderstaand gedicht van Nicolaas Beets.
Een totaal andere lading, maar wel met dezelfde titel.

NAZOMER.

Reeds begint de spin haar rag
Overal te weven;
Korter wordt de zomerdag,
Korter wordt het leven;
Maar in ’t rijp en rijpend graan.
Maar in halm en schooven,
Lacht de goedheid Gods ons aan,
Die wij dankbaar loven.

Die het rozenbed beschouwt,
Wordt geneigd tot treuren;
Maar de boomgaard blinkt van goud,.
En de druiven kleuren.
Ook de roode lijsterbes
Gloeit zoo schoon als immer…
Vogels! volgt mijn wijze les:
Plukt haar nu — of nimmer.

Eerlang hangt de valsche boog
In het vreemde lommer;
’t Late besje lokt uw oog,
En gij ducht geen kommer.
Maar, verborgen voor uw blik,
Door den moord geweven
Gaapt de paardenharen strik
Naar uw schuldloos leven.

Lieve kindren! elk genot
Is aan tijd gebonden;
Smaakt het, met een oog op God,
En ter rechter stonden
Die van geen genoegens weet,
Die hij niet mag rekken,
Zal zich een gedurig leed.
Of den dood verwekken.


Het is maar dat we het weten, “elk genot is aan tijd gebonden”.

Levenshaast is hier op zijn plaats.
Geniet nu het nog kan, want morgen zal alles anders zijn.

19 oktober 2007 – 2017


je bent gewoon maar doodgegaan
achter het gras
terwijl de herfst voor de deur stond
met deze hand
als een inktvlek
probeerde ik de zon stil te zetten
geen geluid brak meer door
van achter de glazen barrière
volière
van ijs en chroom
waar je witte hand in zweefde
als een meeuw die de kust verlaat
als een berijpte boom
zo hangen vanavond
mijn betraande ogen
in je afscheid
Jan Wolkers, Parijse gedichten

Op 19 oktober is het 10 jaar geleden dat de schrijver die mij aan het lezen heeft gebracht is overleden.
Op die datum komt ook de langverwachte biografie uit, waar ik reikhalzend naar uitkijk.

Ik heb het hier natuurlijk over Jan Wolkers, beeldhouwer, schilder, prozaïst, toneelschrijver, essayist, dichter en jeugdboekenschrijver.
Een van de meest bekende en gelezen schrijvers van het naoorlogse Nederland.

Bij mij thuis werd voeger selectief gelezen.
In de eerste plaats uit de bijbel, waaruit bijna dagelijks werd voorgelezen na de avondmaaltijd.
Verder waren mijn ouders lid van de VCL-boekenclub, waarbij VCL stond voor Verantwoorde Christelijke Lectuur.
Ik herinner me boeken met titels als: “Een zwerver verliefd, Een zwerver verdwaald” geschreven door Arthur van Schendel en de “Tuinfluiter Trilogie” van de vrouwelijke auteur Jos van Maanen Pieters. En natuurlijk ontbrak niet “Sil de strandjutter” van de hand van “Cor Bruijn”.

Er stonden zeker nog wat boeken op de kleine boekenplank van het “Simpla Lux” meubel, maar ik kan me verder geen titels meer voor de geest halen.

Het eerste boek dat ik van Wolkers heb gelezen was de verhalenbundel “Serpentina’s Petticoat”.
Ik zal 14 jaar oud zijn geweest toen ik het boek voor de eerste keer op heimelijke wijze las en het rauwe, niets verbloemende taalgebruik maakte diepe indruk op me. Vooral de gezinsverhoudingen in het boek waren herkenbaar voor mij: de zachtmoedige, alles goedpratende moeder tegenover de strenge kerkgezinde vader dacht ik te herkennen in mijn eigen ouders.

In de daaropvolgende puberteitsjaren ben ik Wolkers blijven volgen en ik verslond zijn boeken. De erotische passages waren voor mij de kers op de taart.
In die tijd was ik vooral geboeid door het boek “Terug naar Oegstgeest”. Niet in de laatste plaats vanwege het zich afzetten door de ik persoon tegen het (Gereformeerde) geloof.

Ook toen ik ouder werd is mijn interesse in zijn verhalen en romans onverminderd groot gebleven.
Veel van zijn boeken heb ik inmiddels meerdere keren gelezen en naar mate ik meer ging begrijpen van literatuur, kregen de boeken een andere lading.

Ook voor de schilder en beeldhouwer Jan Wolkers heb ik grote bewondering.
Hij was een gedreven en geëngageerd beeldend kunstenaar.

De laatste woorden die Jan Wolkers heeft uitgesproken waren: “Zo is het genoeg”.
Deze woorden hadden betrekking op de boterham met bessengelei die hij midden in de nacht wilde eten. Na enkele hapjes had hij genoeg.
Daarna viel hij in een diepe slaap, die twee volle dagen duurde, om nooit meer wakker te worden.
Op 19 oktober om 01:30 uur overlijdt Jan Hendrik Wolkers.

Winterslaap

Als de sneeuw niet meer 
Smelten wil,
Een boterham met dubbel jam
De mond niet opent,
een oog kijkt eerder scheel
naar een gebroken ruit-
Dan hangt men lakens voor het raam,
De kille bloedsomloop
Zakt naar de modder,
Er is geen wakker worden aan.
Jan Wolkers

Stil in Amsterdam

Vandaag de drukte van de stad ontvlucht
door in Amsterdam te blijven
lopend over dijkjes en langs sluisjes
langs spelende kinderen
langs slapende poezen
herfstlucht in mijn neus
ruimte in m’n kop
gedachten fladderen rond
liedjes komen er
en nog meer liedjes
over de stilte
over de stilte in Amsterdam.

t Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen

De auto’s en de fietsen

Zijn levenloze dingen

De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen zingen
Want de auto’s en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
’t Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
’t Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
’t Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand tegenkwam

Kermis in de Hel

Gisteren was weer zo’n dag, harde wind, felle regenbuien en soms, tussen de grijze wolken door, tegelijkertijd de zon.
“Het is kermis in de hel,” zei mijn moeder dan.
Ze bedoelde daarmee dat het regende en tegelijkertijd de zon scheen.
De kans op een regenboog was aanzienlijk bij zulke omstandigheden en als kind speurde ik met samengeknepen ogende hemel af.

Mijn moeder was een vrouw van gezegden en spreekwoorden.
Ze gebruikte ze “te pas en te onpas.”
Tegenwoordig worden ze niet veel meer gebruikt, maar gedurende mijn jonge jaren was het “schering en inslag.”

Voor bijna ieder voorval of situatie had mijn moeder wel een spreekwoord of gezegde paraat.
Als ik mijn Brinta ’s morgens te schielijk opat, omdat ik te lang had getreuzeld en te laat dreigde te komen op school, en daardoor mijn tong brandde, zei ze prompt: “Beter hard geblazen dan de mond gebrand.”
En als mijn zus protesteerde tegen de dagelijkse lepel levertraan repliceerde ze: “Bitter in de mond, maakt het hart gezond,” of soms ook wel “Baat het niet dan schaadt het niet.” 
Zo’n gezegde was dan ook direct een “pleister op de wonde,” verder werd er weinig aandacht meer aan het kinderleed besteed.

Er waren er natuurlijk ook die ik absoluut niet begreep als kind en “ik keek dan alsof ik het in Keulen hoorde donderen.”
Die raadselachtige zinnen gingen in mijn hoofd een eigen leven leiden.
“Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen,” en “Het kind met het badwater weggooien.” 
Ik nam ze in die tijd vooral letterlijk en had er de wildste fantasieën bij.

Omdat spreekwoorden en gezegden in onbruik zijn geraakt en daardoor nog maar mondjesmaat worden gebezigd, hoor je tegenwoordig nog wel eens verhaspelingen.
“Het escaleert helemaal uit de hand,” of “Hij slaat de spijker volledig mis.”
En op Twitter las ik laatst: “Lubach trekt hard aan de noodklok over criminaliteit in Brabant.”

Het wachten is op iemand die de noodrem luidt.

De Keerzijde

Ik heb eens ergens gelezen dat er in Amsterdam meer fietsen dan inwoners zijn. Amsterdam telt ruim 800.000 inwoners en er zijn meer dan 900.000 fietsen in de stad.
Met al die fietsen wordt per dag ongeveer twee miljoen kilometer gefietst, onder meer over ruim 500 kilometer (vrije) fietspaden.
Er zijn mensen die beweren dat je tegenwoordig makkelijker je auto dan je fiets kwijt kunt in het centrum.

Ik zelf doe daar hard aan mee en gebruik mijn stadsfiets dagelijks.
Het is een genot om door de stad te laveren, midden op straat lopende toeristen te ontwijken en alle wachtende auto’s achter je te laten.
En het is een geweldig schouwspel wanneer de klep van een pont omlaag gaat en al die fietsers vanaf de pont de stad innemen.
En we weten het allemaal: fietsen is gezond voor de fietser en het milieu.

Maar zoals altijd zit er ook aan deze medaille een keerzijde.
Als je wel eens in Amsterdam bent geweest, weet je dat het grote aantal fietsen een enorm “fietsparkeerprobleem” oplevert. Op een gemiddelde werkdag staan er alleen al rond Centraal station zo’n 9000 fietsen geparkeerd.
En dat kost ruimte, veel ruimte.

Tot nu toe is de oplossing gezocht in het realiseren van stallingsmogelijkheden op pontons op het IJ en zelfs op een oude pont. Ook is er aan de voorkant van het station een zogenaamde “fietsflat” gebouwd.

Deze stallingen hebben vaak fietsenrekken van twee verdiepingen. Logisch dat de onderste rekken het eerst gevuld worden. Niemand wil echt lang bezig zijn met het stallen van zijn of haar fiets, zeker niet als je een trein moet halen.
Maar het plaatsen van je fiets in de bovenste rekken vereist wel wat handigheid en zeker ook enige kracht.

Toen ik gisteren mijn fiets wilde stallen moest ik, zoals zo vaak, een tijdje zoeken naar een vrije plek. Het is een soort ritueel dat rondlopen tussen die rekken met aan beide zijden honderden fietsen.
Op de paden tussen de rekken lopen ook altijd mensen rond die niet meer precies de juiste plek weten weten waar ze hun fiets hebben gestald en spiedend rondkijken of ze hun tweewieler tussen al die anderen kunnen ontdekken.
Toen ik eindelijk een vrije plek had gevonden, was dat natuurlijk een bovenplek.

En dan begint het:
Rek naar je toe trekken, omlaag duwen, fiets op het smalle pad tussen de rekken in een onmogelijke houding manoeuvreren zodat je het voorwiel in het rek kunt tillen, vervolgens al je kracht gebruiken om je fiets tegen de helling van het rek op te duwen, fiets op slot zetten en met ketting vast aan het rek, rek weer horizontaal tillen en als laatste terug naar voren schuiven tussen de andere fietsen op het bovenrek.

Wie deze handelingen nooit heeft verricht, snapt van bovenstaande geen bal.
Het moet “abracadabra” zijn.
Voor de “diehard fietser” is het een terugkerend ritueel dat nu eenmaal bij het genot van het fietsen in Amsterdam hoort.
Het is een noodzakelijk kwaad en we nemen het voor lief.

Aliëns

Als we het over aliens hebben, heeft iedereen daar voor zichzelf direct een beeld bij alhoewel niemand er ooit maar één in levenden lijve heeft gezien (tenminste voor zover mij bekend is).

De belangrijkste reden hiervoor is natuurlijk dat bijna iedereen wel eens een sciencefictionfilm heeft gezien, of dan toch zeker wel een afbeelding van een of meerdere aliens.

De afgebeelde wezens in sciencefictionfilms lopen vaak sterkt uiteen qua lichaamsbouw. In veel gevallen komen ze min of meer overeen met die van de mens en hebben ze, net als wij, vier ledematen, twee ogen en een mond. Maar niet zelden zien ze er ook totaal anders uit en soms zelfs ligt hun oorsprong in de robottechnologie en zijn het meer machines.

Ook voor wat betreft hun karakter zijn er grote verschillen die kunnen variëren van vriendelijk of zachtaardig (ET) tot kwaadwillig en zelf destructief. Dit laatste komt sterk naar voren in bijvoorbeeld de film Alien.

Waarin de wezens ook nog wel eens willen verschillen is hun stemgeluid. Dit is soms niet meer dan wat diepe keelgeluiden, maar kan oplopen tot duidelijk gearticuleerd Amerikaans.

Zelf kan ik me helemaal verliezen in sciencefictionfilms en aliens.  Ik ben wat dat betreft een luie genieter, want sf-boeken lees ik nauwelijks. Het meest geniet ik van de vaak spectaculaire beelden van ruimteschepen, het heelal en van aliens natuurlijk. Het is een bijna onuitputtelijk thema voor filmregisseurs, scriptschrijvers en auteurs.

Het blijft natuurlijk allemaal fictie, al geloof ik heilig in buitenaards leven.
Ik heb dan ook de vurige wens om, voordat ik dit aardse verlaat, te mogen meemaken dat er minstens een “close encounter of the third kind zal plaatsvinden.
Hoe dat dan zal uitpakken….? Ik weet het niet, maar zo spectaculair als in de film “The Fith Element” zal het hoogstwaarschijnlijk niet worden.

Daar bij die molens

Mondriaan, Molen bij zonlicht


Afgelopen vrijdag ben ik op de valreep naar de overzichtstentoonstelling van Piet Mondriaan in het Haags Gemeentemuseum geweest.
Het is voor mij altijd een genoegen om rond te lopen in het prachtige Art Deco gebouw dat is ontworpen door de bekende architect H.P. Berlage.

Over de tentoonstelling zelf is al veel gezegd en geschreven en omdat deze inmiddels afgelopen is zal ik het daar verder niet over hebben.



Nog wel wil ik stilstaan bij het feit dat Mondriaan een aantal prachtige schilderijen heeft gemaakt van molens. Door deze molens, uit de periode 1904-1911, te bekijken wordt de overgang van realistisch naar abstract werk inzichtelijk gemaakt.
Toen ik voor die schilderijen stond bedacht ik me dat de molens uit mijn leven misschien wel juist het omgekeerde hebben bewerkstelligd; van abstract naar concreet tegen de dingen aankijken.
Twee molens hebben een belangrijke rol in mijn leven gespeeld.

Als eerste is daar de molen De Korenaer, ook wel Molen Prins Maurits genoemd.
Ik heb als kind een aantal jaren recht tegenover deze molen gewoond.
Toen ik enkele jaren gelden nog een keer in mijn geboorteplaats Loosduinen was, viel het me op dat er tussen de molen en ons appartement bomen staan. Daar was in mijn jeugd geen sprake van en ik had vanuit mijn jongenskamer, op de 3e verdieping van het naoorlogse flatgebouw  waar wij toen woonden, een vrij uitzicht op de molen.
“De Molen”, zoals ik hem kortweg noemde, hoorde bij mij, was een baken dat er altijd stond. Majestueus toornde hij daar boven alles uit, de elementen trotserend. Deze molen verwoordde de veiligheid van mijn ouderlijke woning en troostte me wanneer ik met mezelf of mijn ouders overhoop lag. Hij wachtte op mij en steunde me.


De tweede molen die in mijn leven een belangrijke rol heeft gespeeld is De Witte Molen bij het Noord-Brabantse plaatsje Meeuwen.
Samen met mijn oudste zus logeerden wij als kinderen bij de eigenaar van deze molen, een ver familielid, die er een dierenvoederbedrijf gevestigd had. De molen werd in die tijd gebruikt voor opslag en er werden handmatig zakjes “duivensnoepzaad” en “kalk en steen” gevuld.
Tijdens deze vakanties ben ik voor de eerste keer verliefd geworden en heb ik mijn eerste seksuele gevoelens ervaren. Verwarrende emoties op weg naar de volwassenheid.

Beide molens heb ik teruggezien toen ik al lang volwassen was.
Wat mij het meest opviel was dat ze veel kleiner leken dan hoe ik ze als kind had ervaren.
Toch raakte ik ontroerd bij het zien van die molens, ontroerd door het verlies van mijn jeugd. Ontroerd door dat wat is geweest en nooit meer zal terugkomen.


Vader en Zoon

Vandaag speelde ik via Spotify muziek uit de 60-/70er jaren van de vorige eeuw.

WAT? De vorige eeuw?
Ja, hoe gek het mij ook in de oren klinkt, mijn tienerjaren speelde zich af in de vorige eeuw, en wel in de jaren 1960-1967.
Als ik die jaartallen zo voor me zie voelt het zover weg, gaat het over een totaal andere tijd een ander leven bijna. Maar wanneer ik mijn gedachten terug laat gaan en die tijd probeer te overbruggen, gaat het slechts over een knipoog van de tijd.

Maar goed, ik draaide dus die muziek.
De meeste nummers kon ik heerlijk meezingen en als ik de tekst niet (meer) kende, zong ik, net als vroeger, toch mee in een soort steenkolenengels.
Van het nummer “Father and Son” van Cat Stevens, kende ik de tekst nog helemaal uit mijn hoofd en ik zong het dan ook uit volle borst mee.

Tijdens het zingen van het nummer viel me plotseling iets op, iets waar ik me eerst niet van bewust was.

Vroeger zong ik het gedeelte dat de gevoelens van de zoon vertolkt extra hard mee.
Ik voelde de opstandigheid van de zoon in het liedje en de drang om zijn eigen bestemming te zoeken. In gedachten zong ik met gebalde vuisten de tekst tegen mijn eigen vader.

Maar nu zette ik extra hard aan bij het tekstgedeelte dat de gevoelens van de vader verwoordde en ik deed dat zonder daar bij na te denken. Het gebeurde gewoon.

Toen ik eenmaal doorhad dat ik dat had gedaan, heb ik het nummer opnieuw afgespeeld.
Ik zag mezelf weer als de jongen die ik toen was, maar hoe ik me ook probeerde in te leven in de tekst, ik voelde niets meer van de opstandigheid die ik vroeger had ervaren.
Mijn sympathie lag bij de vader en ik begreep precies wat hij bedoelde.

 

Alsof iedere dag je laatste is

Kortgeleden las ik een interessant artikel waarin aan een groep mensen de vraag werd gesteld bij welke levenshouding je het meest geluk zou kunnen ervaren:

Leven alsof iedere dag je laatste is of leven alsof iedere dag je eerste is?

Uit het artikel bleek dat de meerderheid koos voor het leven alsof iedere dag je eerste is.
Dat lijkt natuurlijk een aantrekkelijke optie, immers je hebt je hele leven nog voor je en aan de dood hoef je voorlopig niet te denken. En hoe heerlijk is het om dingen voor de eerste keer te ervaren.


Dat is anders bij de keuze alsof iedere dag je laatste is, dan word je voortdurend geconfronteerd met nadenken over hoe je hebt geleefd en de komende dood.
Toch spreekt deze optie mij het meest aan (wat wellicht te maken heeft met de levensfase waarin ik verkeer).

In onze westerse wereld is nadenken over en bespreekbaar maken van de dood en het daarmee onvermijdelijke afscheid van geliefden, kinderen en vrienden, zeker geen gemeengoed.
De laatste tijd is er in ons land wel een trend merkbaar waarbij gepoogd wordt “het laatste afscheid” uit de taboesfeer te halen. Vooral bij reclamespotjes van uitvaartorganisaties is dat merkbaar.
Maar de dood en het sterven zelf worden daarbij in het algemeen gemeden.

Hoe anders is dat in bijvoorbeeld India, het land waar ik een aantal keer ben geweest en dat ik zo’n warme plek in mijn hart toedraag.
Daar zijn geboorte, leven en dood met elkaar verweven. De dood maakt daar deel uit van het dagelijks leven en wordt niet weggestopt.
Het meest zichtbaar was dat voor mij in Varanasi (Benares) aan de rivier de Ganges, de heilige rivier van de Hindoes waar op de ghats de lijkverbrandingen plaatsvinden.
Naast de rituelen van de lijkverbrandingen vind je daar India in miniatuurvorm. Alles wat er in het leven plaatsvind, gebeurt daar ook op de ghats.
Het is er chaotisch druk. Je kunt er je chai drinken, baden, naar de kapper gaan, eten kopen, je was doen, brieven laten uittypen, een puja doen en ook dus je overleden familielid laten cremeren. En dat alles midden in het leven. Je verzoenen met de dood omdat deze onvermijdelijk is, lijkt de levenshouding van veel Indiërs.

Begraafplaatsen en crematoria zijn bij ons plaatsen die door hekken en hoge bomen zijn ontrokken aan het zicht. Zeker, het zijn vaak  mooi onderhouden parken en het kan een genot zijn er rond te lopen en de gekte van de stad te ontvluchten. Maar op deze manier blijven de doden bij de doden en worden wij in ons dagelijks leven nauwelijks met de dood geconfronteerd waardoor het moeilijk blijft je er mee te verzoenen.

In deze tijd, waarin veel wordt gedaan om het verouderingsproces tegen te gaan of in ieder geval zoveel mogelijk te vertragen, zijn we zelfs bezig de dood te bestrijden. 
In de serie “De volmaakte mens” uitgezonden door de VPRO, legde biomedisch gerontoloog Aubrey de Grey uit dat veroudering een ziekte is die binnen afzienbare tijd met de juiste medicijnen te bestrijden zou zijn. Af en toe een grote onderhoudsbeurt, net als bij een auto, en we kunnen weer jaren mee. De leeftijd van 1000 jaar ligt volgens De Grey binnen handbereik en uiteindelijk zal sterven tot het verleden behoren. Bestrijden van de dood is een wetenschap geworden. De dood lijkt onze grootste vijand te zijn geworden.

Leven alsof iedere dag je laatste is.
Als dit je levensmotto is word je in ieder geval gedwongen na te denken over hoe je hebt geleefd, wat je nog zou willen veranderen en hoe je wilt sterven.
Je zal in gesprek moeten gaan met de dood.
Misschien leer je er door zorgvuldiger met de tijd om te gaan die je nog rest.
Leven alsof iedere dag de laatste is. We hebben tenslotte maar één leven, daar moeten we het mee doen. Je krijgt maar één kans.


Vlinder

Afgelopen week zag ik een vlinder in de tuin. Ik vermoed dat het een Koolwitje was en het beestje fladderde rond boven de Helianthus waar nog veel bloemen aanzaten.
Op zich is het niet zo bijzonder dat er een vlinder rond fladdert in de tuin, maar deze keer trok het beestje toch meer mijn aandacht dan anders. Dat kwam door de erg harde wind die er waaide.

Door de storm werd de vlinder naar plekken geblazen waar het eigenlijk niet wilde zijn, om de doodeenvoudige reden dat daar geen planten en bloemen waren. Met bovenvlinderlijke krachtinspanning fladderde het beestje dan weer zigzaggend terug naar de plek waar het de zinnen op had gezet. De gele bloemen dus.

Door deze harde wind, herhaalde het weggeblazen worden en weer terug fladderen zich voortdurend. Het was bijna een ballet voor vlinder en wind.

Maar wat er ook gebeurde, het beestje was niet af te brengen van het voornemen juist naar die bloemen te gaan die vol in de wind stonden.
Door mijn zeer gebrekkige kennis omtrent het leven van vlinders ging ik er van uit dat het beestje daar wilde zijn om nog wat restjes nectar uit de bloemen te halen. Ik bedacht me dat het wel heel veel werk verzette, erg vasthoudend was en dus een grote honger moest hebben. Als ik de vlinder was geweest, was ik al lang naar een andere bloem gegaan, eentje die niet zo in de wind lag en daardoor waarschijnlijker makkelijker te bereiken zou zijn.
Maar “mijn” vlinder dacht daar anders over.

Na vele mislukte pogingen slaagde de vlinder er eindelijk in die plant te bereiken die het zich in het kleine vlinderhoofd had ingeprent en, voor mij toch nog onverwacht, landde de vlinder op een van de gele bloemen.
Ik haalde opgelucht adem en voelde ineens hoe ingespannen ik naar deze worsteling had staan kijken. Een zekere trots voor “mijn doortastende vlinder” maakte zich van mij meester.

Na ongeveer een minuut op de bloem te hebben gezeten, deinend in de wind, waarbij het de vleugels beurtelings spreidde en sloot, vloog de vlinder op en verdween uit het zicht.
Met samengeknepen ogen probeerde ik het beestje nog uitgeleide te doen met mijn blik, maar ik tuurde tevergeefs in de onstuimige lucht.

 

GETIJDE IV

Ik heb het allemaal zelf bedacht:
de dansen, het water,
de auto, het ijs.
Alleen jou, jou heb ik niet bedacht.
Jij was uit de doorzichtige tijd gekomen
misschien zoals ik, misschien anders.
Jij had een miljoen jaar wereld
als een eierschaal achtergelaten
en daar sta je
boven op het bestaande

een vlinder in de winter.

Tot het ogenblik kruimelt, breekt
en ons opvreet
en zichzelf verteert tot de wolk
die zo groot was als alles

en zo groot was als niets.

Cees Nooteboom
(Dit gedicht maakt deel uit van het vierluik GETIJDE).

Vaderland

Er wordt geregeld beweerd in de media dat Nederlanders een volk van negatieve, ontevreden mopperaars zijn. We mopperen op de politiek, de banken, de politie, de gezondheidszorg, ons cultureel erfgoed en natuurlijk ook op het weer. Nooit is het goed genoeg en het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener.
Ik weet niet of die bewering klopt. Zeker, soms ontmoet ik mensen die op alles en iedereen wat aan te merken hebben, behalve op zichzelf dan, maar of dat de mainstream van de Nederlandse bevolking is, dat betwijfel ik toch.

Vandaag is in ons land een actie van het Rode Kruis aan de gang om de noodhulp aan de slachtoffers van de orkaan Irma op Sint Maarten en de andere Bovenwindse Eilanden te kunnen coördineren en bekostigen.
Of je daar aan mee doet en geld overmaakt op het bekende gironummer 5125, dat moet ieder natuurlijk voor zichzelf weten.
Het is ook niet daarom dat ik daar nu over begin, ik wil geen wervingspraatje houden. Maar toen ik vanmorgen de tv even aanzette zag ik dat mensen van diverse pluimage en leeftijden enthousiast geld overmaakten, via allerlei acties of via het gironummer.

En dan denk ik: zijn dat nou diezelfde mopperaars waar de media het over heeft?
Ik kan het me niet voorstellen. Ik denk dat het negatieve beeld wat de media schetst schromelijk wordt overdreven.
Maar misschien wordt het juist daardoor wel een soort “Self Fulfilling Prophecy”.
Als dat zo zou zijn, hoe kunnen we dat dan voorkomen of doorbreken?
Misschien wel door zo’n actie als vandaag (en ook door soortgelijke andere acties zoals bijvoorbeeld: Serious Request) waardoor mensen zich verbonden voelen met elkaar en iets voor anderen over hebben. Goed voorbeeld doet goed volgen.

Natuurlijk pretendeer ik niet dat je niet kritisch moet zijn en de wereld on je heen niet met een gezonde dosis scepsis moet bekijken. Dat zou wel erg naïef zijn. En in het paradijs op aarde heb ik nooit geloofd. Maar ik weiger te geloven dat Nederlanders het negatieve volkje zijn dat de media ons vaak wil doen geloven.

Verkouden

Ineens was het er, toen ik ’s morgens wakker werd was ik hees.
Mijn stem klonk alsof ik de avond daarvoor flink was doorgezakt en een heel pakje sigaretten had weggepaft.
Nu drink ik wel geregeld een glas wijn, maar van doorzakken is al vele jaren geen sprake meer, en met roken ben ik zo’n 25 jaar geleden al gestopt.
Dus het had andere oorzaak.
In de loop van de ochtend kwam daar een loopneus bij.
Zomaar van het ene moment op het andere.
En vanaf dat moment ging het razendsnel bergafwaarts.
Eerst dus alleen de heesheid en daarna de loopneus, die overging in snotteren en niezen. Binnen een paar uur kwam daar een lichte keelpijn bij en begon ik ook te hoesten.
Kortom, ik was snotverkouden.

De reden dat ik hierover schrijf, is niet het feit dat ik verkouden ben en met een lading tissues achter mijn computer zit. Zo bijzonder is dat niet en er zijn, vermoed ik zo, op dit moment honderden, zo niet duizenden mensen verkouden in Nederland.
Wat mij bezig houdt is het feit dat ik van een redelijk fitte 69 jarige binnen een halve dag verander in een lamlendige, snotterende en proestende zeehond.

Ik weet dat het mogelijk is en dat er allerlei virussen voortdurend op de loer liggen om mij te bespringen, maar als het dan gebeurt realiseer ik me weer hoe kwetsbaar ik als mens ben.
Nu heb ik het geluk dat het een “verkoudheidsvirus” betreft, maar al die andere loerende virussen dan? Stel je voor dat die mij ook uitkiezen? En het zijn er nogal wat!
Verkoudheid, Hepatitus A, Gordelroos, Influenza (griep),
Herpes (koortslip), Mazelen, Pokken, Vogelgriep, varkensgriep, Mexicaanse griep, Sars, Polio, Vogelpest, Waterpokken, Rubella (rode hond). 
Dat zijn dan nog maar de meest bekende van het stel.

En als je je realiseert hoe gemakkelijk een virus kan worden overgebracht, bijvoorbeeld via een zoen, een handdruk, voedsel, of gewoon via de lucht tijdens het inademen, dan heb je ontzettend veel mazzel als je er gevrijwaard van blijft.

Maar wat is dan de remedie om besmetting te voorkomen?
Niet meer zoenen? geen handen meer schudden? paranoia zijn met voedsel en niet meer gaan eten bij dat kleine Indiase eethuis? of “gewoon” stoppen met ademen?
Dit laatste lijkt me het enig afdoende middel, maar te resoluut bij een simpele verkoudheid en al die andere zaken wil ik niet missen.

Niets aan te dus, alleen een beetje voor jezelf zorgen en zo gezond mogelijk leven, wat dat dan ook moge zijn.
Ik onderga het lijdzaam en prijs me gelukkig dat op dit moment slechts het verkoudheidsvirus mij heeft uitgekozen.
Ik nestel me op de bank, lees het volgende gedicht en droom van betere tijden.

Ze bloeien nog

O Heer, vergeef mij, dat ik zoveel jaren
Uw aarde liefgehad heb en Uw zon,
Uw vogels en Uw bloemen en Uw blaren
En nooit Uw liefde daaruit leren kon.

De grote zee en alle wijde wegen
onstuimig heb bemind; alleen het lied
van wolk en wind, en zonneschijn en regen
heb aangebeden, maar Uw liefde niet.

Dat ik Uw wereld als een harp bespeelde
en zag Uw grote harmonieën nooit.
En heb mijn dank, met ogen wijd van weelde
als witte bloesems in de wind gestrooid.

Wel achteloos heb ik Uw brood genomen
en hief de volle beker van Uw wijn,
Totdat Gij aan mijn tafel zijt gekomen
en mij omringde met Uw felle Zijn.

En mij Uw hand oplegde, de doorboorde,
een lichte, maar een eind’loos zware druk.
O Heer, vergeef mij, dat ik Uwe woorden
voorbijging voor een beetje broos geluk.

Thans sta ik voor U met een hand vol bloemen,
de welke bloemen van mijn dank, en toch:
Nu waag ik eindelijk Uw Naam te noemen
en zie, ze bloeien nog… ze bloeien nog!

Annie M.G. Schmidt