Ruimtevaarder (kort verhaal)

Op de röntgenfoto’s die achter het hoofd van de arts tegen de verlichte glasplaat hangen, zie ik het landschap van een mij onbekende planeet. Daarop moet het dus te zien zijn; de plaatsen in mijn lichaam waar iets heel erg verkeerd schijnt te gaan.
De arts zwijgt en kijkt me afwachtend aan. Verwacht hij dat ik nu een vraag aan hem stel?
‘De pijn dokter, denkt u dat de pijn heel erg wordt?’
Opnieuw die begrijpende, meelevende gezichtsuitdrukking boven de smetteloos witte jas.
‘We hebben goede medicijnen tegenwoordig…’
Eigenlijk wil ik het antwoord helemaal niet horen, wat schiet ik ermee op.
‘…Eventueel chemotherapie…’
Het lijkt me onmogelijk dat dit gesprek over mijn lichaam gaat. Ik hoor een terminologie die in medische tijdschriften thuishoort of in praatprogramma’s op de tv wordt gebezigd.
Toch nog onverwacht blijkt de arts uitgesproken. Hij legt zijn arm om mijn schouders alsof we al jaren bevriend zijn.
‘Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u te allen tijde contact met mij opnemen.’ Bemoedigend knikt de man mij toe en begeleidt me naar de deur die hij voor me opent. ‘Vergeet u niet een afspraak te maken bij de balie oncologie? Aan het einde van de gang rechts.’

Zonder nog iets te zeggen stap ik de spreekkamer uit en hoor hoe de deur discreet achter me wordt gesloten.
Ik loop door de lange rechte gangen en volg de bordjes die me de route naar de uitgang beloven. In sommige gedeelten zitten langs de muren mensen op oranje en blauwe kunststof stoeltjes verveeld op hun beurt te wachten. Ik voel me bekeken en ben blij wanneer de glazen deuren van de hoofdingang zich geruisloos achter me sluiten. Abrupt verstommen de ziekenhuis geluiden en maken plaats voor die van alledag. Even blijft ik staan en luister naar het geknetter van een scooter, het wegrijden van een bus, dan druk ik mijn handen tegen mijn oren. Ik wil dit niet horen, niet nu. Op dit moment wil ik geen geluiden om me heen. Ik wil stilte, ik wil alleen zijn.
Alleen zijn? En dan? Lijdzaam afwachten tot de geschatte zes maanden om zijn? Moet ik wachtend de rest van mijn leven doorbrengen? De tijd doden totdat de tijd mij dood? Er moet toch een betere, een meer zinvolle manier zijn. Misschien moet ik al mijn geld van de bank opnemen, flink rood gaan staan en in zes maanden alles gaan opmaken in een warm land.
Met een klap duwt iemand iets tegen mijn hiel. Ik draai me geërgerd om en kijk in het onzorgvuldig geschoren gezicht van een oude man die zich stamelend verontschuldigd. De man duwt een rolstoel waar een magere vrouw in zit die gevaarlijk voorover helt. Haar rok is tot boven haar knieën opgekropen waardoor er een gedeelte van een vaalroze flanellen onderbroek zichtbaar is. Door de dunne bovenbenen lijken haar knieën in de dikke, bruine nylonkousen onnatuurlijk groot. Haar rimpelige handen, waarop de blauwe aderen als rivieren op een landkaart liggen, omklemmen de armleuningen. Ik voel spijt over mijn ergernis en zou de rok van de vrouw omlaag willen trekken, maar ik wend mijn blik af en loop haastig in de richting van de parkeerplaats.

Vanaf het zanderige voetpad dat door de duinen loopt, kijk ik uit over de zee. Aan de horizon gaat het water bijna onzichtbaar over in het grijs van de lucht. Een zilte wind waait in mijn gezicht. Beneden me, op het strand, loopt een groepje mensen waar honden uitgelaten omheen rennen. Ik loop de houten trap af en ga op de onderste trede zitten. Wanneer ik mijn veters los maak, trek ik in die van de linkerschoen een knoop. Nog net voor het moment dat ik mijn geduld dreigt te verliezen en de veter met een machteloze ruk kapot wil trekken, lukt het me de knoop eruit te krijgen. Ik trek mijn schoenen uit en prop de sokken erin. Het zand voelt koud en vochtig aan mijn voetzolen.
Door het losse zand sjok ik langs de prikkeldraad versperring aan de rand van de duinen. In de verte zie ik wazig een olietanker de Waterweg opvaren. Vanaf de plaats waar ik loop lijkt het of het schip recht op het strand afstevent.
Na een kwartier lopen krijg ik het warm. Ik trek mijn jas uit en ga erop zitten.

‘Inoperabel godverdomme!’ schreeuw ik in de richting van de zee. ‘In-o-pe-ra-bel!’ Te lang gewacht. Ik heb weer eens te lang gewacht.
Ik herinner me dat ik als kind zo in mijn spel kon opgaan, dat ik vaak te laat de wc bereikte. Ik was te laat met terugtrekken tijdens het vrijen. Wachtte te lang om serieus iets aan mijn huwelijk te doen. Altijd al heb ik beslissingen voor me uitgeschoven. Ook deze keer.
Recht voor mij strijkt een zilvermeeuw neer die me met een enigszins scheef gehouden kop afwachtend aankijkt. Door de rode vlek op zijn snavel krijgt de vogelkop iets clownesk. Wanneer ik weer opsta en het zand van mijn jas klop, vliegt de vogel krijsend weg. Ik knoop mijn schoenen met de veters aan elkaar en hang ze over mijn schouder. Langzaam loop ik in de richting van de eblijn.

Nog zes maanden, had de arts gezegd. Zes maanden. Dat is zes maal dertig, maal vierentwintig, maal zestig… Jezus, dat wordt helemaal niet zo’n astronomisch getal. Het aantal minuten dat ik nog te leven heb is een kleine cijferreeks geworden en met elke stap die ik zet, met iedere ademhaling die ik doe, wordt dat getal kleiner.
Wat doet een mens gewoonlijk in een periode van zes maanden? Veel tijd verknoeien waarschijnlijk. Veel tijd verslapen ook. Hoeveel uren zal ik de afgelopen veertig jaar besteed hebben aan nutteloze zaken? Vreemd eigenlijk dat ik daar pas nu over nadenk.
Met een schok realiseer ik me dat ik het aan mijn moeder moet gaan vertellen, en aan mijn kinderen. Maar wanneer, en aan wie het eerst? Misschien is het beter dat ik het voorlopig nog aan niemand vertel. Geen paniek zaaien. Eerst moet ik voldoende tijd nemen er zelf goed over na te denken, aan het idee te wennen -kan dat eigenlijk wel?- Ik moet ook tijd uittrekken om een aantal belangrijke zaken te regelen. En ik wil nog muziek luisteren, misschien reizen maken, films zien, musea bezoeken. Hoe was dat liedje ook alweer? “Ik heb nog zoveel te doen: de zon in Japan onder zien gaan, iets pikken van een Italiaan.” Ik neurie de melodie terwijl de gedachten door mij heen flitsen..
Hoe lang zal ik trouwens nog normaal kunnen functioneren? Daar heeft die arts niets over gezegd, of is me dat ontgaan? Misschien is het wel minder dan zes maanden. Hoewel, hij had gezegd dat die zes maanden maar een schatting was, dat het moeilijk was een juiste prognose te geven. Het zou dus net zo goed langer kunnen zijn.

In ieder geval moet ik er voor uitkijken dat de tijd die me nog rest mij ook niet door de vingers glipt. Ik moet beslissingen nemen, niets aan het toeval overlaten. En vooral niets meer voor me uitschuiven. Vanaf nu moet ik mijn tijd zo efficiënt mogelijk gaan gebruiken. Misschien moet ik een planning gaan maken voor de rest van zijn leven. Mijn tijd indelen van dag tot dag, desnoods van uur tot uur. Een computerprogramma daarvoor zou handig zijn, maar om daarmee vlot te leren werken kost ook weer tijd. Het duizelt me, maar het idee van die planning lijkt me goed.
Ik voel hoe een golf over mijn voeten spoelt. De onderkant van mijn broekspijpen vertonen natte, donkere randen. Ik sper mijn ogen wijd open en kijk uit over het grauwe water. De wind blaast tranen in mijn ogen, maar ik knipper niet.

Ik stort omlaag in een diepe put. Vlak voor het moment dat mijn lichaam op de bodem te pletter zal slaan, word ik met een schok wakker. Ik lig op mijn rug op de bank in de kamer en transpireer hevig. Het is nog donker. De grote vellen papier met de schema’s steken grijs af tegen het wit van de muren. De pijn in mijn rug lijkt erger dan voorheen en straalt uit naar mijn borst en nek. Een zeurend, knagend gevoel, als bij kiespijn.
Ik sluit mijn ogen en zie opnieuw de ruwe stenen wand van de put aan me voorbij schieten. Dan herinner ik me dat ik van mijn vader heb gedroomd. Ik reed hem rond in een rolstoel. De handen van mijn vader omklemden met zoveel kracht een bijbel, dat deze was samengeperst tot een cilinder. Toen mijn vader uit de wagen dreigde te vallen en ik hem wat steviger wilde neerzetten, bleek dat hij dood was. De holle ogen ontweken me, net zoals ze dat in werkelijkheid zo vaak hadden gedaan.

Om het beeld van mijn vader kwijt te raken sta ik op en knip de leeslamp aan. Ik kijk naar de vellen papier die ik met punaises op de muren heb vastgeprikt. Op het vel waar ik aan werkte voordat ik in slaap was gevallen, heb ik een gedeelte van de schema’s met dikke, driftige strepen van een viltstift doorgehaald. Dat was op het moment waarop ik ontdekte dat het begintijdstip van mijn planning al voorbij was. Twee volle weken had ik er bijna onafgebroken aan gewerkt, en nu moet ik de hele planning gaan aanpassen.
Met een ruk trek ik het vel van de muur. Wat een klote zooi! Opnieuw beginnen betekent immers meer tijd verliezen en meer tijd verliezen betekent minder tijd over.
Waarom in godsnaam doe ik dit allemaal? Waarom doe ik niet gewoon wat ik wil. Gewoon per dag beslissen wat ik ga doen. Eerst de belangrijkste dingen, dan de minder belangrijke, enzovoort. Maar wat vind ik eigenlijk belangrijk, en wat minder.
Ik doe de lamp uit, open de balkondeur en stap naar buiten. De omgeving wordt door een dichte mist aan het oog onttrokken. Er hangt een wollige stilte, alsof ik net als vroeger van mijn moeder weer mijn pet met oorkleppen op heb moeten zetten. Wat zou het mooi zijn als ik nu de moed had op de reling van het balkon te gaan staan en omlaag te springen, de grijze massa in. Met deze mist lijkt het gemakkelijker. Dertien etages. Omlaag zweven als een ruimtevaarder in het oneindige universum. Hoe lang zou het duren eer ik beneden ben? Ineens moet ik weer aan die put denken. Aan de klap die net niet kwam.

Een lang vergeten beeld van een vrouw doemt op: hoe ze daar lag, op het trottoir, met schouders die boven haar hoofd uitsteken, haar benen geknakt tegen de richting van de kniegewrichten in, bloed dat uit haar mond stroomde en een ronde vlek op de stoeptegels vormde. Een eindje van haar vandaan had ik een emmer zien liggen waar door de val grote stukken van het witte emaille waren afgesprongen. En midden op straat lag een spons. Toen ik omhoog keek, zag ik uit een geopend raam het bleke, angstige gezicht van een kind. Een meisje van mijn leeftijd. Een agent die haastig kwam aanfietsen spreidde zijn lange donkere jas, met de glimmende knopen, over de vrouw en zei tegen mij dat ik moest doorlopen. Toen ik het voorval ’s middags na schooltijd aan mijn moeder had verteld, had ze mij een hele tijd tegen zich aangedrukt, zonder een woord te zeggen.

Lang blijf ik buiten staan en luister naar het tikken van de druppels die van de dakrand op de betonnen vloer van het balkon vallen. Als ik diep de kille ochtendlucht inadem, word ik overvallen door een hevige hoestbui. Naar adem snakkend zak ik neer op mijn knieën en verberg mijn gezicht in mijn handen.

 

Bron afbeelding: Pinterest

15 gedachten over “Ruimtevaarder (kort verhaal)

  1. “De tijd doden totdat de tijd mij dood
    De wind blaast tranen in mijn ogen, maar ik knipper niet.”
    Prachtig en beeldend geschreven. Beklemmend ook. Zelf durf ik nauwelijks meer dan 500 woorden te gebruiken omdat de meeste lezers afhaken, maar in jouw verhaal vond ik juist rust. En een soort por in mijn rib: ga je leven leiden!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s