Stel je houdt een dagboek bij. Je schrijft er dagelijks je diepste geheimen in en soms zelfs nog meer dan dat. Dat doe je omdat je er van uitgaat dat jouw dagboek nooit door iemand anders dan door jou zelf gelezen zal worden.

Ik moet er niet aan denken dat mijn dagboeken openbaar zouden worden gemaakt. Dat iedereen die dat wil mijn diepste zielenroerselen kan lezen. Daar heb ik ze niet voor geschreven en ik zou daar dus ook nooit toestemming voor geven.

Toch gebeurde het met het dagboek van Anne Frank wel.

Anderen hebben voor haar beslist dat dit dagboek openbaar moest worden gemaakt. Men vond en vindt nog steeds dat het belangrijk is dat de hele wereld weet wat er in haar hoofd omging. En gezien de oplage van het boek wereldwijd is er veel, heel veel belangstelling voor.

Wat ik daar van vind is niet zo interessant. Het is gebeurd en ik moet bekennen dat ik het boek zelf ook heb gelezen. Al was het wel met gemengde gevoelens en voelde ik me vaak een voyeur. Ook vroeg ik me tijdens het lezen vaak af wat de schrijfster zelf zou vinden van het feit dat haar dagboek openbaar bezit is geworden.

Een retorische vraag natuurlijk, want nooit zal ik daar een antwoord op krijgen. Uiteindelijk kon ik, om verschillende redenen, vrede hebben met de gang van zaken.

Tot gisteren.

Toen hoorde ik namelijk via de media dat er blijkbaar twee pagina’s in het dagboek zaten die waren afgeplakt en dat deze nu, door middel van moderne technologieën, uiteindelijk waren ontcijferd. Twee pagina’s die door Anne Frank zelf ooit onleesbaar waren gemaakt om voor haar moverende redenen. Zij had er voor gekozen dat de twee pagina’s niet meer gezien zouden worden. Niet door haar zelf en al helemaal niet door anderen.

En nu zijn de pagina’s dus openbaar gemaakt. En ik merk dat er wat mij betreft in dit geval grenzen zijn overschreden. De grens van fatsoen en respect. Maar ook de grens van het recht privacy, waar we tegenwoordig onze mond zo vol van hebben, wordt hier met voeten getreden.