Toen ik deze week in de tram door Amsterdam reed en de regen op de ramen het naar buiten kijken bemoeilijkte, verplaatste mijn aandacht zich onbewust naar de opgewonden stemmen van de twee jonge meiden die achter me zaten. Onbewust zeg ik, want toen ik hoorde waarover ze spraken was het zeker niet ongewild.

Ze hadden het namelijk over de onrechtvaardigheid dat hun broers thuis nooit iets in het huishouden hoefden te doen en dus ook niet deden. Vooral het moment na de avondmaaltijd waarbij beide meiden steevast werd opgedragen de tafel af te ruimen en de afwas te verzorgen, zat hen dwars. Eén van de twee vertelde dat ze bovendien op zaterdagochtenden moet stofzuigen.
“En mijn broer ligt dan nog in zijn nest te rotten,” zei ze boos.
Beide vrouwen beschuldigden vooral hun moeder ervan met twee maten te meten. Over eventuele vaders en de rol van hen in deze werd in het geheel niet gesproken.

Eerst dacht ik dat ik het niet goed had verstaan omdat ik midden in hun conversatie aanhaakte, maar al snel werd me duidelijk dat ik het volkomen begreep.
De discussie bracht me terug in de tijd dat mijn oudere zus en ik jong waren en deze zaken ook speelden. Maar ja, dat was de vorige eeuw en nu zo’n 60 jaar geleden. Dat bestaat toch niet meer in deze tijd?

Ik was echt in de heilige veronderstelling dat dit soort issues, in een tijd waarin ieder zijn en haar mond vol heeft van de gelijkheid van de seksen, tot het verleden behoren. Maar niets is dus minder waar. Van jongens wordt kennelijk nog altijd niet verwacht dat ze een deel van de huishoudelijke taken op zich nemen. In ieder geval niet die broers van die twee jongen meiden achter mij in de tram.

Geweld tegen vrouwen, economische zelfstandigheid, representatie van vrouwen in de media en intersectioneel feminisme staan centraal in de zogenaamde vierde feministische golf. Zeker nodig en super belangrijk. Maar kennelijk valt er op micro niveau ook nog het een en ander te doen.